NGV-Geonieuws 50 artikel 355

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Augustus 2003, jaargang 5 nr. 15 artikel 355

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 50! Op de huidige pagina is alleen artikel 355 te lezen.

<< Vorig artikel: 354 | Volgend artikel: 356 >>

355 Pleistocene megafauna in Amerika stierf uit door de mens
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Archeologie ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Zon duizend jaar voor het einde van het IJstijdvak (Pleistoceen) stierven in korte tijd bijna overal de grote zoogdieren uit: mammoet, sabeltandtijger, holenbeer, edelhert, etc. Het was ook de tijd waarin de prehistorische mens zich verder verspreidde, en betere jachttechnieken ontwikkelde. Deskundigen hebben lang getwist over de vraag of het de veranderende klimaatomstandigheden waren die voor het plotseling uitsterven zorgden, of dat de mens daarvan de oorzaak was. Het probleem bij die discussie was dat er relatief weinig materiaal beschikbaar was: botten hebben betrekkelijk weinig kans om te fossiliseren, en artefacten die de aanwezigheid van mensen verraden zijn eveneens zeldzaam. Het was dan ook nooit goed mogelijk om van plaats tot plaats vast te stellen of het optreden van de mens in de tijd samenviel met het uitsterven van de grote zoogdieren of niet.

Op een gezamenlijke bijeenkomst van de Northeastern Section van de Geological Society of America en de Atlantic Geoscience Society hebben drie paleoecologen van de Fordham Universiteit in New York de resultaten van een onderzoek gepresenteerd dat, althans voor Noord-Amerika, een eind aan de twijfel maakt. Ze konden tot een nauwelijks aanvechtbare conclusie komen door een geheel nieuwe benadering van het probleem. In plaats van te zoeken naar 'macroresten' (botten en artefacten) gingen ze op zoek naar microscopen. Die komen veel overvloediger voor, waardoor bijna in principe van iedere plaats aangetoond kan worden wanneer de grote zoogdieren uitstierven, en wanneer de mens verscheen.

De 'fossielen' die hierbij werden onderzocht in de afzettingen die gedurende het einde van het Pleistoceen en het begin van het Holoceen betroffen enerzijds de sporen van een schimmel die een opmerkelijke voorkeur heeft voor de uitwerpselen van grote zoogdieren (zoals de mastodont), anderzijds fijne houtskooldeeltjes die door de wind verspreid werden van vuur dat door de prehistorische mens werd gestookt.

Het blijkt dat op alle onderzochte plaatsen de sporen van de schimmel Sporomiella) gelijktijdig ongeveer 90% afnemen. Vrijwel gelijktijdig wordt de concentratie aan fijn houtskool ongeveer tienmaal zo groot als daarvoor. Dat lijkt een onweerlegbaar bewijs dat het uitsterven van de grote zoogdieren samenviel met het verschijnen van de mens. Daarmee is natuurlijk nog niet gezegd dat het klimaat geen rol speelde. Ook dat onderzocht het team. Ze namen daarvoor pollenmonsters uit de afzettingen; op basis van de flora die ze zo konden reconstrueren, stelden ze vast dat de grote klimaatverandering die het einde van het Pleistoceen kenmerkt zon 1000 jaar na het uitsterven van veel grote zoogdieren plaatsvond. Het klimaat kan daarop dus geen invloed hebben uitgeoefend.

De nieuwe onderzoeksmethode is nog niet buiten Noord-Amerika toegepast. Hij is echter ook geschikt voor bijv. Europa, zodat ook in onze streken waarschijnlijk zal kunnen worden vastgesteld wat de relatie tussen het uitsterven, de opkomst van de mens, en de klimaatverandering is geweest.

Referenties:
  • Kerr, R.A., 2003. Megafauna died from big kill, not big chill. Science 300, p. 885.


Copyright NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl