NGV-Geonieuws 50 artikel 358

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Augustus 2003, jaargang 5 nr. 15 artikel 358

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 50! Op de huidige pagina is alleen artikel 358 te lezen.

<< Vorig artikel: 357 | Volgend artikel: 359 >>

358 Zuidpool niet vrij van vliegen
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

De bossen die gedurende het Mesozoïcum en Tertiair op Antarctica bestonden, werden waarschijnlijk bewoond door primitieve vliegen. Die opvatting bestaat al geruime tijd, op basis van biogeografische analyses uit die tijd in Nieuw-Zeeland, Australië, het zuiden van Zuid-Amerika en de eilanden rondom Antarctica. Directe aanwijzingen ervoor zijn echter nooit in de vorm van fossielen op Antarctica zelf gevonden. Soortgelijke studies wezen er echter ook op dat hoger ontwikkelde vliegen waarschijnlijk nooit op Antarctica aanwezig zouden zijn geweest.


DETAIL VAN DE FOSSIELE VLIEGMADE

Dat beeld moet nu worden herzien. Er is namelijk een fossiel gevonden in een fijnkorrelige afzetting (de Meyer Desert-Formatie), die aan de rand van de Beardmore-gletsjer ontsloten is. Deze locatie, op 85° Z.B., ligt op ongeveer 500 km van de zuidpool. De ouderdom van deze formatie is waarschijnlijk Midden-Plioceen, hoewel sommigen de afzetting beschouwen als midden-Mioceen of nog ouder. In ieder geval is een Tertiaire ouderdom buiten twijfel. De Meyer Desert-Formatie moet zijn afgezet in een meer aan het uiteinde van een gletsjer, aan het begin van een wijde fjord. Het meer moet jaarlijks voldoende lang ijsvrij zijn geweest om de aanwezigheid van algen, zoetwatermollusken en minimaal één vissoort mogelijk te maken. De directe omgeving moet een toendra zijn geweest met struiken en grassen met daarin planten zoals boterbloemen maar ook wat dwergbeuken.


ACHTERAANZICHT VAN EEN MADE VAN EEN RECENTE VLIEG (COCHLIOMYLIA MACELLARIA)

In die omgeving moeten 'hoog ontwikkelde' vliegen hebben rondgevlogen. Dat bewijst het fossiel dat door twee Amerikaanse onderzoekers is gedetermineerd als de made van een vlieg (Diptera: Cyclorrhapha; de familie en het geslacht konden niet worden vastgesteld). De vraag rijst nu of Antarctica tijdens een warm interval van het Neogeen - ergens tussen 3 en 17 miljoen jaar geleden - is gekoloniseerd door vliegen uit de naburige (maar toch altijd nog ver verwijderde) landgebieden (vrijwel zeker Zuid-Amerika), of dat vliegen altijd in Antarctica aanwezig zijn geweest sinds Antarctica zich, in de loop van het Neogeen, afsplitste van het supercontinent Gondwanaland. Het is in dit verband interessant dat eerder onderzoek aannemelijk heeft gemaakt dat de dwergbeuk (Nothofagus) waarvan in de Meyer Desert-Formatie restanten zijn gevonden, waarschijnlijk afstamt van voorouders die deel uitmaakten van de bossen die in het vroege Kenozoïcum in Gondwanaland voorkwamen. Dat is overigens een uitzonderlijk geval, want hetzij de temperatuurdaling - die ook resulteerde in uitgebreide ijskappen - hetzij de daling van de CO2-concentratie in de atmosfeer (of wellicht een combinatie van beide factoren) zorgde ervoor dat de meeste terrestrische organismen uiteindelijk op Antarctica verdwenen.

Voor taxonomen betekent de vondst van het fossiel extra werk: het zal bij de vondst van meer vergelijkbare fossielen op Antarctica waarschijnlijk nodig blijken om het tijdstip en de plaats waar de Cyclorrhapha ontstonden, te herzien.

Referenties:
  • Ashworth, A.C. & Thompson, E.Chr., 2003. A fly in the biogeographic ointment. Nature 423, p. 135.

Afbeelding welwillend ter beschikking gesteld door Allan Ashworth


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl