NGV-Geonieuws 51 artikel 360

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


15 Augustus 2003, jaargang 5 nr. 16 artikel 360

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 51! Op de huidige pagina is alleen artikel 360 te lezen.

<< Vorig artikel: 359 | Volgend artikel: 361 >>

360 Het jaar 1600 was zuur en koud door vulkanische uitbarsting
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over (Paleo)Klimaat ! Klik hier voor alle artikelen over Vulkanologie !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Het jaar 1600 was een zuur jaar: niet alleen voor de Spanjaarden die de slag bij Nieuwpoort verloren, maar voor grote delen van de wereld. In dat jaar vond namelijk een eruptie plaats van de Huaynaputina, een vulkaan in het Andesgebergte (Peru); de eruptie duurde enkele weken. De sporen van die uitbarsting zijn teruggevonden in ijslaagjes in de ijskap op Groenland, waarin as van die uitbarsting bewaard is gebleven. Op basis daarvan was eerder geschat dat bij de uitbarsting 16-32 miljoen ton zwavel was vrijgekomen. Een nieuwe studie geeft aan dat het om bijna het dubbele moet zijn gegaan: 26-55 miljoen ton zwavel.


DRIE KLEINE KRATERS VAN DE HUAYNAPUTINA

Franse onderzoekers komen tot die conclusie op basis van een petrologisch onderzoek, waaruit blijkt dat de samenstelling van het uitgestoten materiaal sterk overeenkwam met dat van de eruptie van de Pinatubo (1991): iets meer kalium en iets minder calcium. Weliswaar was het eerdere chemische onderzoek (van de in het ijs terechtgekomen asdeeltjes) juist uitgevoerd, maar de betrokken deeltjes representeren vooral het fijnste materiaal, dat tot in de stratosfeer opsteeg en van daaruit weer op aarde terecht kwam. Bij de eruptie, waarbij in totaal zon 12-25 miljard ton magma werd uitgebraakt, werd niet alleen fijn materiaal uitgestoten, maar stolden uit de lavastromen ook uitvloeiinggesteenten met een wat andere (zuurdere) samenstelling.

Deze bevinding maakt een eind aan een vraag die al eerder opgeworpen was, namelijk of de vulkanische uitbarsting verantwoordelijk kan worden gehouden voor de aanzienlijke temperatuurdaling die in 1600 begon: op het hele noordelijk halfrond daalde de gemiddelde temperatuur toen met 0,8 C, zoals uit de groeiringen van bomen valt op te maken. Met de vorige schattingen van de zwaveluitstoot kon die temperatuurdaling niet geheel verklaard worden, maar met de nu berekende hoeveelheid kan dat wel.

De onderzoekers maken bovendien aannemelijk dat hun petrologische aanpak het mogelijk maakt om de uitstoot van zwavel in de atmosfeer als gevolg van vulkanische erupties te berekenen op basis van de gesteenten die bij de eruptie werden gevormd. Dat maakt het ook mogelijk om een verband te leggen tussen grote vulkanische uitbarstingen in het verleden en vroegere klimaatfluctuaties. Tot nu toe kon dat alleen (maar, zoals nu blijkt, met een tamelijk grote onnauwkeurigheid) op basis van in ijskappen terechtgekomen concentraties van vulkanische as. Dat betekent dat dergelijke eruptiegerelateerde klimaatfluctuaties ook kunnen worden berekend voor een verleden dat veel verder teruggaat in het geologische verleden van de aarde dan de huidige ijskappen.

Referenties:
  • Costa, F., Scaillet, B. & Gourgaud, A., 2003. Massive atmospheric sulfur loading of the AD 1600 Huaynaputina eruption and implications for petrologic sulfur estimates. Geophysical Research Letters 30 (2), p. 40-1 - 40-4 (DOI 10.1029/2002GL016402).

Afbeelding uit http://www.brest.ird.fr/geodyn/Peru_Huayna.html


Copyright NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl