NGV-Geonieuws 52 artikel 367

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 September 2003, jaargang 5 nr. 17 artikel 367

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 52! Op de huidige pagina is alleen artikel 367 te lezen.

<< Vorig artikel: 366 | Volgend artikel: 368 >>

367 Haaientanden verraden opvallende temperatuurverschillen in het zeewater gedurende het Krijt
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over (Paleo)Klimaat ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Het oppervlaktewater van de zeeën in de noordelijke subtropen (30°-35° N.B.) had gedurende het Krijt een heel andere temperatuurverdeling dan nu, en ook veranderde die temperatuur sterk in de loop der tijd. Dat blijkt uit onderzoek van een team Fransen, die de vroegere temperatuur van het zeewater op diverse plaatsen bepaalden aan de hand van haaientanden die destijds in het bodemsediment werden opgenomen. In het glazuur van die tanden komt het mineraal apatiet voor, Ca5(PO4)3F. De diverse elementen worden door vissen opgenomen uit het water. Dat geldt ook voor de zuurstof: daardoor worden de twee zuurstofisotopen 18O en 16O in het tandglazuur opgenomen in een verhouding die weerspiegelt in welke verhouding deze twee isotopen in het zeewater voorkomen. Die verhouding hangt samen met de temperatuur.

Al eerder zijn op die basis vroegere temperaturen op aarde bepaald, maar dat gebeurde nog niet eerder voor het Krijt. Juist voor het Krijt zijn indicatoren voor het vroegere klimaat (en in het bijzonder de temperatuur) echter belangrijk, want deze periode werd - op basis van de verspreiding van bepaalde fossielen - al geruime tijd beschouwd als zeer warm. E wordt wel van een 'broeikas' in het Krijt gesproken. Er bestond echter veel onenigheid over de vraag of het gehele Krijt uitzonderlijk warm was: sommige onderzoekers zijn zelfs van mening dat er in het begin van het Krijt van een 'koelkasteffect' sprake was. Ook was tot nu toe onduidelijk of er al dan niet duidelijke fluctuaties in de temperatuur optraden in de loop van het Krijt, en hoe de temperatuurverdeling ruimtelijk was. Het nu uitgevoerde onderzoek geeft daarop een - in sommige opzichten verrassend - antwoord.

De geanalyseerde haaientanden wijzen uit dat het begin van het Krijt niet bijzonder warm was, maar dat er - met twee tijdelijke inzinkingen omstreeks 135 en 120 miljoen jaar geleden - een geleidelijke temperatuurstijging optrad die zijn top omstreeks 100-95 miljoen jaar geleden bereikte. Daarna nam de temperatuur weer geleidelijk af. De laagst voorkomende temperaturen van het oppervlaktewater in de subtropische oceaan (de zogeheten Tethys-zee) bedroegen 13-14 °C en de hoogste ca. 28-29 °C.

Deze minimale en maximale 'isotopentemperaturen' verschillen echter waarschijnlijk iets teveel. De ijskappen tijdens het Vroeg-Krijt moeten een zekere invloed op de verhouding tussen de zuurstofisotopen in het oppervlaktewater hebben gehad, en ook het hoge zoutgehalte tijdens het eind van het Krijt heeft waarschijnlijk effect. De onderzoekers denken daarom dat het verschil tussen minimum- en maximumtemperatuur geen 15 °C maar in de orde van 10 °C is geweest - overigens nog altijd een grote temperatuurfluctuatie. Binnen het subtropische zeegebied waren de temperatuurverschillen van het water van plaats tot plaats relatief gering: 0,2-0,3 °C per breedtegraad, terwijl dat tegenwoordig ongeveer 0,4 °C is.

Referenties:
  • Pucéat, E., Lécuyer, Chr., Sheppard, S.M., Dromart, G., Reboulet, S. & Grandjean, P., 2003. Thermal evolution of Cretaceous Tethyan marine waters inferred from oxygen isotope composition of fish tooth enamels. Paleoceanography 18 (12), doi 10.129/2002PA000823, p. 7-1 - 7-12.


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl