NGV-Geonieuws 53 artikel 373

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


15 September 2003, jaargang 5 nr. 18 artikel 373

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 53! Op de huidige pagina is alleen artikel 373 te lezen.

<< Vorig artikel: 372 | Volgend artikel: 374 >>

373 Biodiversiteit voor diverse geologische tijdperken niet even goed gekend
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Algemeen wordt aangenomen dat de biodiversiteit (het aantal verschillende soorten planten en dieren) op aarde afneemt. Harde bewijzen zijn daar overigens niet voor. Een afname is bovendien alleen vast te stellen als bekend is hoe het in het verleden met de biodiversiteit gesteld was. Daarover zijn zelfs uit de laatste eeuwen slechts weinig gegevens bekend. Nog minder weten we over de biodiversiteit in het geologische verleden: de gevonden fossielen representeren naar alle waarschijnlijkheid slechts een fractie van de soorten die ooit op aarde voorkwamen.

Toch nemen we aan dat de biodiversiteit op aarde sterk heeft gefluctueerd. Zo spreken we van massauitstervingen (bijv. op de grens Krijt/Tertiair) en over een plotselinge opbloei van het leven (bijv. aan het begin van het Trias). Dergelijke aannames zijn gebaseerd op het feit dat uit het ene geologische tijdsinterval veel meer verschillende soorten bekend zijn dan uit het andere. De vraag die men daarbij kan stellen is echter of de gevonden verschillen in de hoeveelheden soorten uit de diverse geologische tijdsintervallen wel overeenkomen met de werkelijkheid. Uiteraard is van oude gesteenten minder overgebleven dan van jongere. Dat wordt weerspiegeld in het aantal gevonden soorten. Daarom is de biodiversiteit (zoals wij die kennen) in grote lijnen steeds geringer naarmate we verder teruggaan in de tijd; uiteraard met de tijdelijke fluctuaties zoals die zijn veroorzaakt door massauitstervingen, etc. Er zijn overigens gegronde redenen om aan te nemen dat de biodiversiteit ook werkelijk is toegenomen, en dat dat bovendien steeds sneller is gegaan.

Er speelt echter nog een heel andere factor die onze kennis over vroegere biodiversiteit beïnvloedt: dat is de mate waarin gesteenten uit bepaalde geologische tijdsintervallen zijn onderzocht en bemonsterd op fossielen. Recent onderzoek door wetenschappers in Nieuw-Zeeland wijst erop dat deze factor van aanzienlijk belang is. Ze gingen alle in databanken opgeslagen gegevens na over fossiele mariene mollusken uit Nieuw-Zeeland uit de laatste 60 miljoen jaar, en over hun vindplaatsen. Bij hun onderzoek bleek dat lang niet alle gesteenten even goed waren onderzocht; voor een belangrijk deel bleek dat samen te hangen met de hoeveelheid gesteente uit een bepaald geologisch tijdsinterval dat aan het aardoppervlak ontsloten is, maar in andere gevallen was er niet zo’n simpele oorzaak aan te wijzen voor het kennelijke verschil in bemonstering.

De onderzoekers hebben proberen na te gaan wat deze andere factoren zijn. Daarbij kwamen ze tot de conclusie dat het aantal verschillende milieus waarin de gesteenten uit een bepaalde tijd zijn gevormd, van groot belang is. Op zichzelf een logische conclusie: in wadden, lagunes, achter strandwallen, en voor rotskusten leven nu eenmaal verschillende soorten. Dat zijn er dus altijd meer dan wanneer je alleen kijkt naar de soorten die bijv. leven voor een zandige strandkust leven.

De Nieuw-Zeelandse mariene fauna van de laatste 60 miljoen jaar blijkt te worden gedomineerd door soorten die op het continentale plat leefden. Soorten uit dieper water komen veel minder vaak voor. Er is geen goede reden om te veronderstellen dat elders in de wereld (en voor andere geologische tijdsintervallen) geen soortgelijke 'voorkeurmilieus' voorkwamen. Het beeld dat we hebben van biodiversiteit in het geologische verleden is daarom voor een deel medebepaald door toen overheersende milieus en door 'toevallige' processen zoals een langdurige zeespiegelrijzing. Er zal dus meer gestructureerd onderzoek moeten worden gedaan naar de minder frequent voorkomende milieus in afzettingen uit een bepaalde tijd als we werkelijk willen weten hoe de biodiversiteit op dat moment was.

Referenties:
  • Crampton, J.S., Beu, A.G., Cooper, R.A., Jones, C.M., Marshall, B. & Maxwell, Ph.A., 2003. Estimating the rock volume bias in paleodiversity studies. Science 301, p. 358-360.
  • Smith, A.B., 2003. Making the best of a patchy fossil record. Science 301, p. 321-322.


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl