NGV-Geonieuws 55 artikel 380

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


15 Oktober 2003, jaargang 5 nr. 20 artikel 380

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 55! Op de huidige pagina is alleen artikel 380 te lezen.

<< Vorig artikel: 379 | Volgend artikel: 381 >>

380 Diepe 'riffen' in noorden van Atlantische Oceaan
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over Geofysica !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

In het noorden van de Atlantische Oceaan komen op 500-1200 m diepte grote heuvels voor langs de randen van de Rockall-Trog. Ze kunnen een hoogte van zo’n 300 m bereiken, en de grootste zijn aan hun basis zo’n 5 km in doorsnede. Dat is vastgesteld door geofysisch onderzoek, waarbij ook drie Nederlanders van het Koninklijk Nederlandse Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) waren betrokken. Bij het onderzoek werden ook soortgelijke heuvels ontdekt die inmiddels door jongere afzettingen zijn begraven. Monsters tonen aan dat het gaat om heuvels die zijn opgebouwd uit kalkmodder en dat op hun top diepwaterkoralen leven met een daarmee geassocieerde fauna zoals sponzen. De koralen en sponzen groeien soms op stenen die ter plaatste terecht zijn gekomen doordat afsmeltende ijsbergen er meegevoerd materiaal dumpten. De heuvels zelf worden door deskundigen beschouwd als het minst begrepen type rif, al kan er over worden gestreden of het werkelijk riffen zijn.


ZEELELIES OP EEN RIF AAN DE ZW ZIJDE VAN DE ROCKALL-TROG

Dergelijke heuvels van kalkmodder in diep water kwamen in het geologische verleden (tot ca. 65 miljoen jaar geleden) tamelijk veel voor, maar sindsdien is het een zelden voorkomend fenomeen. Een gebiedje bij de Bahama’s gold lang als het enige hedendaagse (maar veel kleinere) voorkomen. In de laatste jaren zijn er bij de offshore exploratie van olie en gas nog enkele voorkomens gevonden, en dat heeft geleid tot diverse hypotheses over hun ontstaan. De meest gangbare theorie is dat de heuvels zijn ontstaan door het opborrelen (en daarbij meesleuren van kalkmodder) door uit de zeebodem ontsnappend gas, gewoonlijk methaan. Het zou dan dus om een soort moddervulkanen gaan (die later de kern gingen vormen van rifachtige structuren). Die verklaring gaat echter geheel niet op voor de heuvels die door het team onder leiding van prof. Van Weering zijn gevonden; er is namelijk geen spoor van ontsnappend gas aangetroffen. Bovendien is zo’n verklaring moeilijk te rijmen met de precieze ligging van de heuvels (soms in rijen die vrijwel parallel aan de trog lopen), die soms wel en soms niet voorkomen op plaatsen die verder ogenschijnlijk identiek zijn. Bij het ontstaan van deze uitzonderlijk grote heuvels moeten dus zeer locale factoren een rol hebben gespeeld.

Monsters, foto’s en video-opnames hebben de onderzoekers er van overtuigd dat de heuvels een aantal hardere, korstachtige niveaus bevatten, zoals dat ook bij het hedendaagse equivalent op de Bahama’s het geval is. Die niveaus zijn volgens hen in een eerste fase gevormd, doordat carbonaten de bovenste delen van oorspronkelijk uit kalkmodder bestaande opeenhopingen aan elkaar kitten. Die harde toplagen vormden dan een goed substraat voor koralen en andere organismen. Tussen die rifachtige fauna zette zich weer kalkmodder af (met een snelheid van gemiddeld 6 mm per eeuw), waarna opnieuw een korst werd gevormd die weer als substraat voor een nieuwe fauna diende. Dit proces kon zich diverse malen herhalen (de laatste fase speelde zich waarschijnlijk gedurende het Plioceen-Holoceen af), wat de grote omvang van de diepwaterheuvels verklaart, evenals het huidige voorkomen van koudwaterkoralen op die heuvels. Overigens komen er op deze 'riffen' ook prachtige zeelelies (crinoïden) voor.

Referenties:
  • Weering, T.C.E. van, Haas, H. de, Sligter, H.C. de, Lykke-Andersen, H. & Kouvavev, I., 2003. Structure and development of giant carbonate mounds at the SW Rockall Trough margins, NE Atlantic Ocean. In: Weering, T.C.E. van, Dullo, W.-C. & Henriet, J.P. (eds.): Geosphere-biosphere coupling: cold seep related carbonate and mound formation and ecology. Marine Geology 198, p. 67-81.

N.B.: een iets afwijkende vorm van dit bericht werd onder de titel 'Atlantische Oceaan bevat in het noorden rifachtige heuvels' geplaatst in de bijlage 'Wetenschap en Onderwijs' van NRC Handelsblad (16 augustus 2003).

Afbeelding welwillend ter beschikking gesteld door Tjeerd C.E. van Weering (NIOZ)


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl