NGV-Geonieuws 55 artikel 384

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


15 Oktober 2003, jaargang 5 nr. 20 artikel 384

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 55! Op de huidige pagina is alleen artikel 384 te lezen.

<< Vorig artikel: 383 | Volgend artikel: 385 >>

384 Indiase schol schuift 400 km diep onder Himalaya’s
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Structurele geologie, (Plaat)tektoniek & Aardbevingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Wat er diep in de aarde gebeurt, kunnen we niet direct waarnemen. Er komen echter steeds meer technieken beschikbaar die het mogelijk maken om gegevens te verzamelen op basis waarvan de opbouw van de diepe ondergrond kan worden geďnterpreteerd. Op basis van die interpretaties kunnen dan weer hypotheses worden opgesteld over de processen die voor de huidige structuur van de diepe ondergrond verantwoordelijk zijn.


SCHEMATISCHE WEERGAVE VAN HET SUBDUCTIEPROCES EN DE OPWELLING VAN HEET MANTELMATERIAAL

Zo is in de vorige eeuw dankzij nauwkeuriger meetmogelijkheden (deels vanuit satellieten) dat de continenten inderdaad ten opzichte van elkaar bewegen: ze zitten als het ware 'op de rug' van aardschollen die door convectiestromen ten opzichte van elkaar verschuiven. Dankzij geofysische technieken weten we nu ook wat er gebeurt waar twee van dergelijke aardschollen tegen elkaar botsen: daar ontstaan gebergten (als een soort kreukelzone), maar bovendien duikt een van de twee aardschollen onder de ander weg. Hoe diep dat wegduiken (subductie) kan plaatsvinden, is lang niet geheel duidelijk geweest.

Ook hierbij bieden nieuwe technieken echter uitkomst. Zo is de mogelijkheid ontwikkeld om (net als in de geneeskunde) via de techniek van de tomografie een beeld te krijgen van de situatie op een bepaalde diepte; net alsof er even een dun schijfje van dat niveau tevoorschijn wordt gebracht. Die techniek is nu toegepast door een team dat zich vooral bezighoudt met onderzoek van de bovenste aardmantel.

Bij onderzoek naar de structuur onder de Himalaya’s (de kreukelzone die veroorzaakt is - en nog steeds intenser wordt - doordat de Indiase schol al zo’n 50-65 miljoen jaar tegen Azië opbotst met een snelheid van 4 cm per jaar) vond het team op deze wijze dat er onder dit gebergte (min of meer ter hoogte van Tibet) een gesteentemassa voorkomt met eigenschappen die afwijken van die van het omringende gesteente. Deze massa bevindt zich op een diepte van ca. 100-400 km en wordt door de onderzoekers geďnterpreteerd als materiaal uit de aardkorst dat door subductie van de Indiase schol onder de Euraziatische schol in de aardmantel terecht is gekomen. De subductie van zo’n groot stuk aardkorst past precies in het plaatje van de inkorting van de aardkorst ter plaatste als gevolg van het 'kreukelen'.

Een logische consequentie van de subductie van zoveel materiaal is dat er plaatselijk een tekort aan asthenosfeer ontstaat (de asthenosfeer is de min of meer plastische zone waartoe het bovenste deel van de aardmantel en het onderste deel van de aardkorst behoren). Volgens de onderzoekers wordt dat tekort gecompenseerd door het opwellen van (veel heter) materiaal uit de diepere mantel. Dat zou tegelijk de verklaring vormen voor het voorkomen in noord-centraal Tibet van een relatief warme mantel.

Referenties:
  • Tilmann, F., Ni, J. & INDEPTH III Seismic Team, 2003. Seismic imaging of the downwelling Indian lithosphere beneath central Tibet. Science 300, p. 1424-1427.

Figuur welwillend ter beschikking gesteld door Frederik Tilmann, New Mexico State University, Las Cruces (USA).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl