NGV-Geonieuws 56 artikel 387

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 November 2003, jaargang 5 nr. 21 artikel 387

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 56! Op de huidige pagina is alleen artikel 387 te lezen.

<< Vorig artikel: 386 | Volgend artikel: 388 >>

387 Planten veroverden land al in Midden-Ordovicium
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Een belangrijke wetenschappelijke controverse met betrekking tot het eerste optreden van landplanten lijkt beslecht: landplanten hebben (naar alle waarschijnlijkheid) al zo’n 470 miljoen jaar geleden bestaan. De oudst bekende 'megafossielen' van typische landplanten dateren van ca. 425 miljoen jaar geleden; de oudste sporen die door sommigen als afkomstig van landplanten worden beschouwd zijn ca. 475 miljoen jaar oud. Die oudste sporen - die in hun algemeenheid sterk afwijken van de huidige typen sporen - vertonen weliswaar enkele karakteristieken sterk overeenkomen met die van landplanten (vooral een dikke wand die de sporen beter bestand maakt tegen uitdroging; dit is uiteraard niet nodig voor in zee levende planten), maar een mariene herkomst kon niet volledig worden uitgesloten.


DETAIL VAN DE SPOREN MET RESTANTEN SPORENZAKJE

In een boorkern uit Oman waarvan de ouderdom ca. 470-475 miljoen jaar is, zijn nu pollen verzameld waarvan de terrestrische herkomst niet meer gefundeerd valt te ontkennen, tenzij er in - of zowel voor als na - die tijd botanische ontwikkelingen hebben plaatsgevonden die we ons nu niet kunnen voorstellen. De gevonden sporen komen voor een groot deel, in tegenstelling tot alle eerder gevonden sporen uit het Ordovicium, voor in paren van twee of vier; deze worden bijeen gehouden door een vliesje dat moeilijk anders te interpreteren is dan als het binnenste vliesje van een sporenzakje (sporangium). Aangenomen mag worden dat de sporen in het sporenzakje tot ontwikkeling kwamen en rijpten. Zo’n gezamenlijke ontwikkeling van sporen in een sporenzakje wordt door botanici beschouwd als een indirect bewijs voor generatiewisseling, wat kenmerkend is voor hogere (land)planten (en enkele typen primitievere algen).

Met behulp van een 'scanning electron micrscope' hebben de onderzoekers getracht na te gaan in welk taxon de gevonden sporen kunnen worden ondergebracht. Daarbij hadden ze veel profijt van het feit dat er grote aantallen sporen en sporangia uit het sediment konden worden geďsoleerd: het gaat om duizenden exemplaren. Dat maakt 'determinatie' uiteraard een stuk eenvoudiger. De onderzoekers komen tot de conclusie dat de planten die de pollen produceerden veel gemeen moeten hebben gehad met de huidige levermossen, en wellicht zelfs daartoe gerekend moeten worden. Dat zou deze groep gelijk maken tot een zeer succesvol (want een lange tijdspanne overlevend) taxon. Of het werkelijk een soort levermossen waren, is echter nog niet zeker. De onderzoekers merken op dat dan ook elateren zouden moeten worden gevonden; elateren zijn langwerpige cellen waarvan de belangrijkste functie is het bevorderen van verspreiding van de sporen. De onderzoekers vinden de afwezigheid van deze cellen zelf 'intrigerend'.

Niet uitgesloten is overigens dat dergelijke elateren nog zullen worden gevonden. Het is namelijk opmerkelijk dat de sporen en sporangia) werden gevonden als een soort residu nadat de sedimenten volgens de klassieke methode waren behandeld met zuur (waarom sporangia nooit in andere Ordovicische sedimenten zijn aangetroffen die op gelijke wijze zijn behandeld, blijft nog een onbeantwoorde vraag). Het is zeer goed mogelijk dat andere - minder destructieve - behandelingsmethoden van het sediment meer zullen overlaten van de daarin aanwezige plantenresten. Dan zouden wellicht nog meer verrassende resultaten kunnen worden verkregen.
Afbeelding welwillend ter beschikking gesteld door Charles Wellman, Department of Animal AND Plant Sciences, University of Sheffield (Verenigd Koninkrijk).

Referenties:
  • Kenrick, P., 2003. Fishing for the first plants. Nature 425, p. 248-249.
  • Wellman, Ch.H., Osterloff, P.L. & Mohiuddin, U., 2003. Fragments of the earliest land plants. Nature 425, p. 282-285.

Afbeelding welwillend ter beschikking gesteld door Charles Wellman, Department of Animal AND Plant Sciences, University of Sheffield (Verenigd Koninkrijk).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl