NGV-Geonieuws 58 artikel 397

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 December 2003, jaargang 5 nr. 23 artikel 397

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 58! Op de huidige pagina is alleen artikel 397 te lezen.

<< Vorig artikel: 396 | Volgend artikel: 398 >>

397 Plioceen had 'warme' zoogdierfauna boven poolcirkel
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over (Paleo)Klimaat ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen ! Klik hier voor alle artikelen over Sedimentologie !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Gedurende het Vroeg-Plioceen (5-4 miljoen jaar geleden) was het klimaat in het noorden van Amerika veel vriendelijker voor plant en dier dan nu. Zo vriendelijk dat de boomgrens meer dan 2000 km noordelijker lag dan nu. Dat kon omdat de zomertemperatuur zoín 10 EC hoger was dan nu, en de wintertemperatuur zelfs zoín 15 EC. Dat blijkt uit onderzoek dat is uitgevoerd op Ellesmere Island, een eiland ten noorden van het vasteland van Canada op 78E noorderbreedte.

Een en ander blijkt uit onderzoek van een op Ellesmere Island voorkomend veenpakket. Het veen accumuleerde in een meertje dat ontstaan was door een beverdam. Om het meer lag een bos dat vooral uit lariksen bestond; de boomgrens lag er niet ver vandaan. Het veen geeft niet alleen via de daarin uiteraard aanwezige plantenresten een beeld van het milieu - en daarmee ook van de toenmalige temperatuur - maar ook via de erin voorkomende gefossiliseerde kevers en de resten van talrijke zoogdieren.

De boomsoorten die in het veen gevonden zijn, omvatten onder meer een uitgestorven soort lariks (Larix groenlandii), de spar (Picea), een denneboom die taxonomisch dicht staat bij de in Japan levende soort Pinus pumila), de els (Alnus) en de berk (Betula). Deze soortenrijkdom aan bomen was groter dan de huidige in het noorden van Amerika. Van kevers (Coleoptera) werden 16 uitgestorven soorten aangetroffen. Ze geven, zowel voor de zomer als voor de winter, dezelfde temperatuurverschillen aan met nu als de flora doet.

De aangetroffen zoogdieren behoren tot taxa die voor het grootste deel thans niet meer in Noord-Amerika voorkomen, maar die nog wel in EuraziŽ vertegenwoordigd zijn, zij het via andere soorten. De zoogdierfauna in zijn geheel wijst er dan ook op dat er destijds uitwisseling tussen de noordelijke gebieden van Amerika en AziŽ is geweest. De zoogdieren omvatten een bever (cf. Dipoides intermedius), een konijn (cf. Hypolagus vetus) en een hondachtig dier van het geslacht Eucyon. Daarnaast zijn restanten gevonden van de beer (Ursus abstrusus), drie musteliden (een veelvraat - cf. Plesiogulo; een vismarter - Martes; en een nieuwe soort das - Arctomeles sotnikovae). Ook gevonden zijn restanten van een drietenig paard (Plesiohipparion) en een hert (Moschus), dat op een nu in SiberiŽ levende soort lijkt.

Toen 2,6 miljoen jaar geleden het ijs zich begon uit te breiden en het gebied met een permafrost steeds groter werd, veranderde het beeld volledig. Er zijn slechts weinig soorten uit het veen op Ellesmere Island die ook in de Pleistocene fauna worden teruggevonden.

Referenties:
  • Tedford, R.H. & Harington, R., 2003. An Arctic mammal fauna from the Early Pliocene of North America. Nature 425, p. 388-390.


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl