NGV-Geonieuws 59 artikel 402

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


15 December 2003, jaargang 5 nr. 24 artikel 402

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 59! Op de huidige pagina is alleen artikel 402 te lezen.

<< Vorig artikel: 401 | Volgend artikel: 403 >>

402 'Bloederig' Antarctica.
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Glaciologie !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

In het Dal van Taylor (Taylor’s Valley) op Antarctica stroomt water met een roodachtige kleur uit het front van een gletsjer. Dit werd in 1911 ontdekt, maar het zou meer dan een halve eeuw duren voordat Robert Black de verklaring voor de rode kleur gaf: het water bevat ijzerverbindingen, onder meer ijzer(hydr)oxiden en ijzerzouten. Waarom die verbindingen in het verder vrijwel overal zeer zuivere ijs van Antarctica voorkomen, bleef echter een raadsel. Intussen werd de roodachtig gekleurde waterval steeds bekender, en hij kreeg de naam 'blood falls' (bloedvallen).


DE 'BLOODFALLS' AAN DE RAND VAN DE TAYLOR GLETSJER

Onderzoekers van de Ohio State University onder leiding van Berry Lions hebben nu een verklaring voor de bloederige waterval gevonden. Ze hadden daarvoor tien jaar van geochemische analyses nodig. Die lange tijd was nodig omdat er in de waterval een zekere cycliciteit voorkomt. Maar nu is er dan ook een overtuigende verklaring.

Ongeveer 5 miljoen jaar geleden moet het Dal van Taylor geen ijsdal zijn geweest, maar een soort fjord, uiteraard gevuld met zeewater. Toen de omstandigheden veranderden werd de fjord van de zee afgesloten, en bleef er in het lagere deel een grote hoeveelheid zeewater achter als een zoutwatermeer. Toen de Taylor gletsjer vooruitschoof, ging hij over dat meer heen, waardoor het zeewater in het ijs zat ingevangen. Bij verdere voorwaartse beweging van het ijs werd puin van de ondergrond, inclusief roodachtig slib dat langs de randen van het meer was bezonken, in het ijs opgenomen. Doordat de gletsjer steeds verder 'stroomde' terwijl hij aan de voorzijde afsmolt, bereikte een deel van het ingevangen materiaal uiteindelijk de voorzijde van de gletsjer. Als de slibhoudende ijsmassa afsmelt, stroomt het smeltwater naar Lake Bonney, een van de vier met ijs bedekte meren ter plaatse (drie in het Dal van Taylor, een in het nabije Dal van Wright). Elk van deze meren heeft een andere chemische samenstelling. Volgens Lions hangt dat samen met verschillen in ouderdom.

Het onderzoeksteam is tot de conclusie gekomen dat het water van de Taylor gletsjer aanvankelijk niet naar Lake Bonney stroomde, maar naar een van de drie andere meren, Lake Fryxell (ook een zoutwatermeer). Pas toen het warmer werd, kon een andere gletsjer (de Canada-gletsjer) verder in het Dal van Taylor doordringen en de aanvankelijke afvoerroute voor het smeltwater blokkeren. Toen kon Lake Hoare, een zoetwatermeer, ontstaan.

Het blijkt dat het water van de roodachtige waterval afkomstig moet zijn van een zoutmeer.

Naar alle waarschijnlijkheid is dat Lake Bonney, waarin destijds het door ijzeroxiden roodgekleurde smeltwater uitmondde; van dit meer is bekend dat het bodemwater zeer zout is. Dit water vindt nu kennelijk nog één weg naar buiten (de overige waterstromen uit het ijsfront zijn afkomstig vanuit Lake Hoare of een van de twee andere meren in het Dal van Taylor). Volgens de onderzoekers is zelfs niet uit te sluiten dat de 'bloodfalls' zelfs niets anders zijn dan een door ijs bedekte uitloper van Lake Bonney.

Referenties:
  • Lyons, W.B., 2003. Blood Falls: a frozen saline discharge, a strange curiosity, or an important clue to history of Taylor Valley. In: Geoscience horizons - Abstracts with programs GSA Annual Meeting & Exposition (Seattle, 2003) 190-9, p. 464.

Afbeelding welwillend ter beschikking gesteld door Ohio State University, Columbus (Verenigde Staten)


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl