NGV-Geonieuws 60 artikel 405

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Januari 2004, jaargang 6 nr. 1 artikel 405

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 60! Op de huidige pagina is alleen artikel 405 te lezen.

<< Vorig artikel: 404 | Volgend artikel: 406 >>

405 Spinnen konden al 300 miljoen jaar geleden een web weven
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Al zon 300 miljoen jaar geleden moeten sommige soorten spinnen in staat zijn geweest om een zijdeachtig web te weven. Dat blijkt uit onderzoek dat Cary Easterday uitvoerde aan een fossiel dat hem ter beschikking was gesteld door Gregory McComas, een verwoed fossielenverzamelaar die is afgestudeerd aan de Youngstown State University in Ohio. Hij had het fossiel in 1999 gevonden in een oude mijn, die hij de 7-11 mijn had genoemd, omdat hij op de plaats ligt waar de wegen met nummers 7 en 11 van de staat Ohio bij elkaar komen. Deze mijn, met een pakket van omstreeks 300 miljoen jaar oud uit het Carboon, heeft meer interessante fossielen opgeleverd, zowel van planten als van dieren.


APHANTOMARTUS PUSTULATUS

De vondst van een buitengewoon goed gefossiliseerde spin is echter ook voor deze vindplaats uitzonderlijk. William Ausich, hoogleraar in de geologie aan Ohio State University (waar Easterday studeert), acht de kans op de vondst van een complete fossiele spin in zon goede conditie buitengewoon klein, ondanks de relatief goede fossilisatiekans. Volgens Ausich worden er regelmatig fragmenten van fossiele spinnen gevonden, maar nooit complete exemplaren.

De kans op fossilisatie ter plaatse was overigens betrekkelijk groot, want de spin moet in of vlakbij een meer hebben geleefd; hij stierf (verdronk?) en zakte naar de bodem, waar hij snel werd bedekt door fijnkorrelig materiaal dat uit suspensie uitzakte. Zo werd de spin zowel beschermd tegen ontbinding onder invloed van zuurstof als tegen vernietiging door aaseters. Misschien waren er ook nauwelijks dieren op zoek naar een prooi op de meerbodem, want het klimaat veranderde snel (van nat tropisch tot afwisselend droge en natte seizoenen) ten tijde dat de spin leefde; dergelijke klimaatveranderingen gaan vaak samen met het uitsterven van bepaalde diergroepen.

De fossiele spin, Aphantomartus pustulatus, behoort tot de trigonotarbiden, een oud taxon van spinnen waarvan vertegenwoordigers tot de eerste landdieren behoorden. Aphantomartus, een jager op 8 poten, had een hard pantser, vergelijkbaar met dat van moderne kevers. Tot nu toe hadden paleontologen nooit verwacht dat hij draden zou kunnen spinnen. Easterday toonde echter aan dat deze soort een (prachtig bewaard gebleven) rij van knobbeltjes achter zijn achterste poten heeft. Deze zogeheten rijen microtuberkels komen exact overeen met de structuren die bij recente spinnen dienen om zijdeachtige draden te weven. Van gesponnen draden is weliswaar niets te zien, maar dat is uiteraard geen wonder bij een spin die waarschijnlijk dood was voordat hij op de meerbodem terecht kwam.

Referenties:
  • Easterday, C.R., 2003. Evidence for silk-spinning in trichonotarbid arachnids (Chelicerata: Tetrapulmonata) and other new discoveries from Cemetery Hill (Carboniferous: Desmoinesian-Missourian), Columbiana County, Eastern Ohio. In: Geoscience horizons - Abstracts with programs GSA Annual Meeting & Exposition (Seattle, 2003) 220-10.

Foto welwillend ter beschikking gesteld door Cary Easterday. Courtesy Ohio State University.


Copyright NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl