NGV-Geonieuws 62 artikel 419

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Februari 2004, jaargang 6 nr. 3 artikel 419

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 62! Op de huidige pagina is alleen artikel 419 te lezen.

<< Vorig artikel: 418 | Volgend artikel: 420 >>

419 Geofysica helpt bij opsporing van lawineslachtoffers
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Geofysica !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Ground-penetrating radar (GPR), een geofysische methode die onder meer wordt toegepast om begraven voorwerpen (bijv. vaten met gifstoffen, of bommen in een rivierbedding) op te sporen, blijkt een goed hulpmiddel om mensen op te sporen die door een sneeuwlawine zijn bedolven. Dat bleek bij twee niet-geplande praktijkproeven. In het eerste geval ging het om een groep Noorse onderzoekers op Spitsbergen, waarvan twee leden die met snowmobiles onderweg waren niet op tijd in het onderzoekstation terugkeerden, en die een gebied moesten passeren waar veel lawines optraden. In het tweede geval ging het om een groep van vijf Noorse skirs in de omgeving van Chamonix, die een lawine hadden veroorzaakt waardoor ze zelf bedolven werden, nadat ze zich buiten de piste hadden gewaagd.


SNEEUWLAWINE

Er waren geen getuigen van het ongeval op Spitsbergen, waar het sneeuwde en een harde wind stond toen besloten werd het vermiste tweetal te gaan zoeken. Vanwege de duisternis werd het gebied waar de twee slachtoffers onder een lawine waren bedolven echter pas de volgende avond, meer dan 24 uur na het ongeluk, getraceerd: het spoor van de snowmobiles hield plotseling op bij een verse lawine en kwam daar aan de andere kant niet meer uit te voorschijn. Het GPR-onderzoek dat vervolgens plaatsvond, besloeg een oppervlakte van zon 150.000 m2, in een pakket lawinesneeuw van gemiddeld 8 m dik. De slechte omstandigheden en de voor dit doel niet geschikte apparatuur bemoeilijkten het onderzoek aanzienlijk. De twee slachtoffers werden niettemin gevonden onder 3,5 m sneeuw, zij het 2, resp. 3 dagen nadat ze bedolven waren geraakt.

In het tweede geval, bij Chamonix, hadden vier van de vijf skirs een apparaatje bij zich waarmee hun positie kon worden bepaald. Het gebied waar ze door de lawine waren bedolven, was slechts zon 30.000-35.000 m2 groot en werd binnen 45 minuten getraceerd; een van de personen was overleden toen hij werd gevonden, een tweede stierf een maand later alsnog aan zijn verwondingen, en twee anderen werden zonder grote verwondingen uit de sneeuw bevrijd. De vijfde persoon kon, doordat het sneeuwpakket van de lawine 10 m dik was, niet met klassieke middelen (stokken, honden) worden gevonden. Om hem alsnog op te sporen riep het Rode Kruis van Chamonix de hulp in van het GPR-onderzoeksteam dat enkele dagen eerder op Spitsbergen succesvol was geweest. Een en ander kostte weliswaar tijd, maar het team wist het overleden slachtoffer snel te traceren (op 4,5 m diepte).

In geen van beide gevallen werden levens gered door het gebruik van GPR. Daarvoor kwam de inzet daarvan te laat. Bovendien was de apparatuur die gebruikt werd, niet echt geschikt: het was log, zwaar (ca. 80 kg) en moeilijk te vervoeren, zeker op besneeuwde, steile hellingen. De uitvoering van de apparatuur, die ontworpen was voor wetenschappelijk onderzoek, maakte het karwei bovendien tijdrovend. Niettemin zijn de onderzoekers optimistisch over de mogelijkheid om GPR in de toekomst te gebruiken voor het tijdig opsporen van mensen die door een lawine bedolven zijn geraakt. Proeven met opzettelijk 'ingegraven' personen op Spitsbergen en bij Chamonix tonen aan dat de techniek goed werkt. Er zal voor succesvolle toepassing in ongevalsituaties echter een versie moeten worden ontwikkeld die gemakkelijker te hanteren is onder moeilijke terrein- en weersomstandigheden, die lichter is (de apparatuur weegt nu ca. 80 kg). Ook de ontwikkeling van apparatuur die op afstand kan worden bediend zou de kans om slachtoffers nog levend onder de sneeuw vandaan te halen, aanzienlijk kunnen vergroten.

Referenties:
  • Instanes, A., Lnne, I. & Sandakker, K., 2003. Location of avalanche victims with ground-penetrating radar. Cold Regions Science & Technology 38, p. 55-61.

N.B.: een iets afwijkende vorm van dit bericht werd onder de titel 'Lawineslachtoffers gevonden via geofysische opsporing' geplaatst in de bijlage 'Wetenschap en Onderwijs' van NRC Handelsblad (3 januari 2004).


Copyright NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl