NGV-Geonieuws 64 artikel 426

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Maart 2004, jaargang 6 nr. 5 artikel 426

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 64! Op de huidige pagina is alleen artikel 426 te lezen.

<< Vorig artikel: 425 | Volgend artikel: 427 >>

426 Aardbeving in India veroorzaakte kraters door bodemvloeiing
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Structurele geologie, (Plaat)tektoniek & Aardbevingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

De bodem van een gebied in India met een oppervlakte van ongeveer 15.000 km2 vertoonde na de aardbeving van januari 2001 (met een kracht van 7,7) tekenen dat in de ondergrond vervloeiing van de grond was opgetreden. Het ging daarbij om gangen van zand (zogeheten clastic dikes) die in de bovenliggende lagen doordrongen en om kratervormige depressies die in het aardoppervlak werden gevormd, waarbij rondom de kraters door de lucht uitgeworpen brokstukken grond te vinden waren. Deze verschijnselen komen zelden op zoín grote schaal voor, maar het ging dan ook om een van de grootste aardbevingsrampen in de historie van India, ook al kwam de breuk die de aardschok veroorzaakte niet aan het aardoppervlak.

Twee Amerikaanse onderzoekers hebben twee van de gevormde 'kraters' onderzocht. De kraters (nabij Umedpur, ongeveer 48 km ten NW van het epicentrum) waren resp. 2,4 x 1,8 en 1,6 x 1,5 m groot. De onderzoekers komen tot de conclusie dat ze een gevolg moeten zijn geweest van een explosieve vervorming van de grond; die vervorming was waarschijnlijk een vertraagd effect van vervloeiing van een pakket in de ondergrond. De vervloeiing kon ontstaan doordat de aardschok drukgolven uitzond die de waterdruk in de poriŽn van het sediment verhoogde.

De kraters konden ontstaan door de opbouw van aanzienlijke hydraulische gradiŽnten in kleilagen in de ondergrond ter plaatse. Die zorgden ervoor dat gangen van vervloeiend zand naar boven doordrongen. Daarna werd het materiaal weer 'vast', totdat de zich opbouwende druk plotseling een uitweg zocht, waarbij stukken grond de lucht in werden geslingerd, en tot op 26 meter afstand van de plaats van herkomst weer terugvielen. Uit de vorm van de krater kan worden afgeleid dat de 'projectielen' onder een hoek van ca. 45 graden werden gelanceerd. Uit die hoek en de door de projectielen afgelegde afstand kan worden berekend dat de opgebouwde druk zoín 11 kPa bedroeg; bij de 'explosie' die de krater veroorzaakte (en die ongeveer 10,2 seconde moet hebben geduurd) was de druk 56 kPa, wat overeenkomt met de druk die wordt uitgeoefend door een 5,6 m hoge waterkolom. Dit is een minimumwaarde, die echter wel goed overeenkomt met waarnemingen die spreken over waterfonteinen die kort na de aardbeving optraden en die hoogten van 3-4 m bereikten.

Referenties:
  • Rydelek, P.A. & Tuttle, M., 2004. Explosive craters and soli liquefaction. Nature 427, p. 115-116.


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl