NGV-Geonieuws 65 artikel 431

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


15 Maart 2004, jaargang 6 nr. 6 artikel 431

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 65! Op de huidige pagina is alleen artikel 431 te lezen.

<< Vorig artikel: 430 | Volgend artikel: 432 >>

431 Afgestorven walvissen beÔnvloeden indirect geochemie van zeewater
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Op de zeebodem veroorzaken afgestorven walvissen plaatselijk uitzonderlijke omstandigheden die zorgen voor een speciale biotoop die tientallen jaren in stand kan blijven. Onverwacht lange 'levensduur' van dergelijke biotopen, die ook de fossilisatiekansen van de walvissen medebepaalt, is vastgesteld door drie Amerikaanse onderzoekers die daarvoor een aantal ongewone gegevens verzamelden, en vervolgens met ongebruikelijke technieken bewerkten.


FOSSIELE WALVIS IN DE VROEG-PLIOCENE (?) PISCO FM (PERU)

Microorganismen die onder anaŽrobe omstandigheden vetten en andere organische bestanddelen uit de walvisbotten omzetten zijn verantwoordelijk voor de 'dode-walvis-biotoop'. De door deze microben gevormde producten dienen weer als voedsel voor levensgemeenschappen die op chemosynthese zijn aangewezen; daartoe behoren bacteriŽn, maar ook diverse typen schelpdieren. Veel van deze organismen zijn verwant aan de op chemosynthese gebaseerde levensgemeenschappen die worden aangetroffen bij onderzeese hete bronnen. Onderzoek daarnaar kwam op gang nadat in 1987 een chemoautotrofe levensgemeenschap werd ontdekt op 1240 m diepte (voor de kust bij San Diego), die zich voedde met de olierijke resten van een 21 m lange walvis. Hierbij werd een belangrijke rol gespeeld door sulfiden die gevormd waren door anaŽrobe omzetting van vetten uit de walvisbotten.

Het was tot nu toe niet bekend hoe lang de afgestorven walvissen zoín bijzondere levensgemeenschap in stand kunnen houden. Kennis daaromtrent is echter van belang omdat deze biotoop een soort opstapje kan vormen voor zwavelminnende soorten van microorganismen, die op hun beurt weer van groot belang zijn voor de organische geochemie in zee. De onderzoekers hebben dit probleem aangepakt door te kijken naar de verhouding tussen de isotopen lood-110 en radium-126. Die verhouding verkeert in levende organismen niet in evenwicht, maar schuift daar na hun afsterven steeds verder naar toe. Eerste proefnemingen waarbij die verhouding werd bepaald aan de hand van walvisbotten van bekende ouderdom (deels uit musea), leverden goede resultaten op voor botten van 10-85 jaar na overlijden van de walvis. Om de eventuele invloed van het milieu op de resultaten na te gaan hebben de onderzoekers gestorven jonge walvissen op verschillende plaatsen op de zeebodem laten zinken, waarna botten na 10 en 6,6 jaar via duikboten weer werden opgehaald om ouderdomsanalyses te verrichten. Daarbij kon ook worden vastgesteld dat de botten na afsterven van de walvis een gesloten systeem vormen, waarin de verhoudeningen tussen de lood- en radiumisotopen niet meer van buitenaf wordt beÔnvloed. Voor de diverse onderzochte walvissoorten bleek dezelfde techniek toepasbaar.

Referenties:
  • Schuller, D., Kadko, D. & Smith, C.R., 2004. Use of 210Pb/226Ra disequilibria in the dating of deep-sea whale falls. Earth and Planetary Science Letters 218, p. 277-189.

N.B.: een iets afwijkende versie van dit bericht werd onder de titel 'Dode walvissen op de zeebodem vormen langdurige biotoop' geplaatst in de bijlage 'Wetenschap & Onderwijs' van NRC Handelsblad (21 februari 2004).
Foto welwillend ter beschikking gesteld door Leonard Brand, Loma Linda University, Loma Linda (Verenigde Staten).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl