NGV-Geonieuws 66 artikel 437

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 April 2004, jaargang 6 nr. 7 artikel 437

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 66! Op de huidige pagina is alleen artikel 437 te lezen.

<< Vorig artikel: 436 | Volgend artikel: 438 >>

437 'Extreem oud landschap' blijkt helemaal niet zo oud
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Geomorfologie !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Leken - en daarbij behoren in dit opzicht veelal ook milieubeschermers - denken gewoonlijk dat landschappen min of meer statisch zijn, en niet veranderen tenzij er door mensen wordt ingegrepen. Geologen (en meer nog geomorfologen) zien daarentegen het huidige landschap als een tussenfase, een min of meer toevallige toestand die nu is bereikt in een steeds voortgaande verandering. Toch is ook het bestaan van extreem oude landschappen wel geclaimd. Een voorbeeld daarvan is te vinden in centraal-Australië, waar het landschap van de Davenport Range - die bestaat uit Precambrische en Cambrische gesteenten die gezamenlijk het Australische craton vormen - volgens sommigen sinds het Cambrium nauwelijks zou zijn veranderd. Dat zou een gevolg zijn van een extreem lage erosiesnelheid.


HET LANDSCHAP VAN DE DAVENPORT RANGE

Het lijkt te mooi om waar te zijn: nu een Cambrisch landschap met eigen ogen aanschouwen en er ook nog in kunnen rondlopen. Het ís dan ook te mooi om waar te zijn, want recent onderzoek laat zien dat de erosie weliswaar gering is, maar toch snel genoeg om het landschap - geologisch gezien - voortdurend te laten veranderen.

Het meten van de erosiesnelheid in een dergelijk gebied is een moeilijke opgave. De onderzoekers deden dat door een combinatie van twee technieken. Het zijn complexe technieken die te ingewikkeld zijn om er hier diep op in te gaan (apatite fission track thermochronology en in situ cosmogenic radionuclide analysis). Met deze methoden kon de gemiddelde erosiesnelheid worden bepaald over 'korte' intervallen van een miljoen jaar en veel langere van honderdmiljoen jaar. Het is voor het eerst dat erosiesnelheden voor zo’n lange tijdsduur vastgesteld konden worden.

De erosie blijkt in de loop van de tijd niet altijd even snel te zijn geweest. Gedurende de meeste tijd lag de erosiesnelheid (waarmee hier de snelheid wordt aangeduid waarmee de hoogte van het maaiveld afneemt) tussen de 40 cm en 4 m per jaar. Er waren echter ook - zij het kortstondiger - perioden waarin de erosie zo’n 17 m per miljoen jaar bedroeg. De onderzoekers komen dan ook tot de conclusie dat er geen sprake kan zijn van een extreem lang nauwelijks veranderd landschap. Ze denken dat er ongeveer een kilometer sediment verdwenen moet zijn. Dat zou voornamelijk tijdens het bijna 200 miljoen jaar durende Mesozoïcum zijn gebeurd. Vanaf het Cambrium tot in het begin van het Mesozoïcum zou het Cambrische landschap met een steeds dikker wordend sedimentpakket zijn bedekt. De erosie daarvan zou aan het einde van het Mesozoïcum vrijwel volledig zijn geweest. Gedurende het Tertiair en Kwartair zou het blootgekomen oude (en zeer harde) Cambrische en Pre-Cambrische gesteente relatief langzaam zijn geërodeerd, maar er zouden in die tijd toch altijd nog tientallen meters zijn verdwenen.

Referenties:
  • Belton, D.X., Brown, R.W., Kohn, B.P., Fink, D. & Fasrley, K.A., 2004. Quantitative resolution of the debate over antquity of the central Australian landscape: implications for the tectonic and geomorphic stability of cratonic interiors. Earth and Planetary Science Letters 219, p. 21-34.

Foto welwillend ter beschikking gesteld door Gaël Clément en Philippe Janvier, Muséum Nationale d’Histoire Naturelle, Parijs (Frankrijk).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl