NGV-Geonieuws 66 artikel 439

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 April 2004, jaargang 6 nr. 7 artikel 439

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 66! Op de huidige pagina is alleen artikel 439 te lezen.

<< Vorig artikel: 438 | Volgend artikel: 440 >>

439 IJskappen in EuraziŽ groeiden door invloed van grote proglaciale meren
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Glaciologie !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Een landklimaat leidt tot koudere winters en warmere zomers dan een zeeklimaat. Dat komt door de grote warmtecapaciteit van de zee: het kost veel energie om water iets op te warmen, en bij afkoeling komt veel warmte vrij. Dat geldt natuurlijk niet alleen voor zeewater: ook grote meren oefenen een soortgelijke invloed uit op het aangrenzende gebied. In de laatste ijstijd had dat grote gevolgen voor het noordelijke deel van Europa en AziŽ.

Omstreeks 90.000 jaar geleden werden door de noordelijke ijskap de grote noordwaarts stromende Russische rivieren afgedamd. Dat leidde tot het ontstaan van een aantal grote meren; hun gezamenlijke oppervlakte was gelijk aan tweemaal die van de Kaspische Zee. Die grote meren zorgden ervoor dat de zomers ter plaatse kouder bleven dan anders het geval zou zijn geweest. Als gevolg daarvan kon de ijskap zich verder zuidwaarts uitstrekken.

Dat blijkt uit onderzoek van een internationaal team, dat hoge-resolutie modelsimulaties analyseerde van de atmosferische circulatie. De simulatie richtte zich in het bijzonder op de massabalans van het ijsoppervlak. Het bleek daarbij dat het ijsfront dat zich over de huidige Barentsz-Zee en Kara-Zee uitstrekte, 's zomers relatief weinig afsmolt doordat de meren over grote delen van Rusland zorgden voor een koel zomerklimaat. De ijskap kon zich daardoor steeds verder en steeds sneller naar het zuiden uitbreiden. Toen het klimaat begon te verbeteren, trok de ijskap zich langzamer terug dan zonder de aanwezigheid van de meren het geval zou zijn geweest.

Het hele proces moet op gang gekomen zijn nadat de ijskap zich tot over de Barentsz-Zee en de Kara-Zee had uitgestrekt. De reden voor die aanvankelijke uitbreiding konden de onderzoekers niet vaststellen; ze denken dat het een gevolg was van veranderende hoeveelheid zonnewarmte, die op hun beurt resulteerden in veranderingen in vegetatie, oceaanstromingen en concentratie van broeikasgassen; daardoor zou meer sneeuw zijn blijven liggen waardoor meer zonlicht werd teruggekaatst en een algemene afkoeling optrad.

Toen de ijskap zich eenmaal zo ver had uitgebreid dat de grote rivieren werden afgedamd en meren ontstonden, werden de effecten steeds sterker. De grootste uitbreiding van het ijs lag tussen 90.000 en 80.000 jaar geleden. Een dergelijke maximale uitbreiding zou in die periode normaliter niet zijn opgetreden, want op 65E N.B. (ongeveer de zuidelijke oever van de Barentz-Zee) was de hoeveelheid zonne-instraling tussen 95.000 en 85.000 jaar geleden in juni juist ongeveer met 12% toegenomen.

Toen de zonneinstraling ca. 85.000 jaar geleden nog verder toenam, begon de ijskap zich langzaam terug te trekken. Tot het moment dat de Russische rivieren niet meer werden afgedamd en de grote meren leegstroomden. Toen veranderde het klimaat weer naar 'normale' waarden, en begon het ijs zich veel sneller terug te trekken. Interessant is in deze context dat het vrij plotseling leeglopen van de grote meren (met koud water) in zee leidde tot een algemene temperatuurdaling doordat de oceanische circulatiepatronen (de zogeheten thermohaline circulatie) erdoor werd beÔnvloed.

Referenties:
  • Krinner, G., Mangerud, J., Jakobsson, M., Crucifix, M., Ritz, C. & Svendsen, J.I., 2004. Enhanced ice sheet growth in Eurasia owing to adjacent ice-dammed lakes. Nature 427, p. 429-432.


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl