NGV-Geonieuws 67 artikel 443

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


15 April 2004, jaargang 6 nr. 8 artikel 443

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 67! Op de huidige pagina is alleen artikel 443 te lezen.

<< Vorig artikel: 442 | Volgend artikel: 444 >>

443 Temperatuur steeg op Antarctica 8 °C sinds hoogtepunt laatste ijstijd
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Glaciologie !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Er zijn in de loop der tijd diverse methoden ontwikkeld om temperaturen in het geologische verleden te reconstrueren. Soms geven die verschillende methoden vergelijkbare uitkomsten; dan mag worden aangenomen dat die uitkomst redelijk betrouwbaar is. In andere gevallen kunnen de verschillende methoden echter behoorlijk uiteenlopende waarden opleveren. Dan moet dus worden uitgezocht of in dat specifieke geval de ene methode betrouwbaarder is dan de andere.


ANTARCTICA

Een geologisch interessante vraag is hoe het temperatuurverloop in centraal Antarctica is geweest. De twee methoden waarmee men heeft geprobeerd dat te reconstrueren, hebben echter sterk uiteenlopende resultaten opgeleverd. Het gaat daarbij om enerzijds een reconstructie op basis van de verhouding tussen waterstofisotopen, anderzijds om een bepaling van de verticale warmtegradiėnt in het landijs.

De eerste methode is erop gebaseerd dat, wanneer zeewater verdampt, er verhoudingsgewijs een minimale fractie water met normale waterstof meer verdampt dan water met 'zwaar waterstof' (deuterium); in landijs zit daarom iets minder zwaar waterstof dan in zeewater. Naarmate er meer verdampt zeewater wordt vastgelegd in de vorm van landijs, verandert de verhouding tussen de isotopen steeds meer. Bij de tweede methode meet men de temperatuur van de ijskap (in boorgaten), omdat de temperatuur in het ijs enerzijds afhangt van de luchttemperatuur aan het ijsoppervlak, anderzijds van de van onderen toegevoerde geothermische warmte: wanneer die laatste factor constant blijft, hangt de temperatuur in het ijs dus direct samen met de luchttemperatuur. Verandert de luchttemperatuur, dan past het ijs zijn temperatuur geleidelijk aan. Omdat uit experimenten bekend is hoe snel dat gaat, kan zo worden berekend wat de luchttemperatuur op een bepaald moment in het verleden moet zijn geweest.

De deuteriummethode wijst op een toename van de temperatuur, sinds het zogeheten Last Glacial Maximum, van ca. 8 °C; de methode waarbij de temperatuur van het ijs in een boorgat wordt gemeten, wijst echter op een stijging van 15 °C. Een team van Zwitserse en Franse onderzoekers heeft nu een derde methode toegepast, waarbij de eigenschappen van in het ijs opgesloten luchtbelletjes zijn geanalyseerd. Die belletjes komen van lucht die eerder in de sneeuw is binnengedrongen; de lucht komt dus iets dieper dan het sneeuwoppervlak en de luchtbelletjes zijn dus iets jonger dan het omringende ijs. Dit 'leeftijdsverschil' is afhankelijk van de temperatuur en van de snelheid waarmee het sneeuw/ijspakket aangroeit. Via een nogal ingewikkelde methode (die hier niet van belang is) komen de onderzoekers tot de conclusie dat de temperatuurstijging sinds het Last Glacial Maximum ongeveer 8 °C moet zijn geweest, en dat de deuteriummethode in dit geval dus betrouwbaarder resultaten geeft dan de boorgattemperatuurmethode.

Referenties:
  • Blunier, Th., Schwander, J., Chappellaz, J., Parrenin, F. & Barnola, J.M., 2004. What was the surface temperature in central Antarctica during the last glacial maximum? Earth and Planetary Science Letters 218, p. 379-388.

Animatiefoto: Goddard Space Flight Center Scientific Visualization Studio.


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl