NGV-Geonieuws 72 artikel 467

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Juli 2004, jaargang 6 nr. 13 artikel 467

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 72! Op de huidige pagina is alleen artikel 467 te lezen.

<< Vorig artikel: 466 | Volgend artikel: 468 >>

467 Vissen liepen eerst in het water, pas daarna op land
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

De tetrapoden (de in principe op vier poten lopende landdieren) zijn volgens de huidige inzichten voortgekomen uit vissen die zich - in het Devoon, zoín 350-370 miljoen jaar geleden - op het land waagden. Daarvoor moesten ze kunnen lopen, en het is dan ook niet verwonderlijk dat daartoe ledematen ontstonden uit vinnen. Hoe dat gebeurde was tot nu toe slecht bekend. En waarom zouden vissen - die zich nu eenmaal met hun vinnen als een vis in het water thuis voelen - trouwens poten ontwikkelen?


EEN OVERGANGSVORM TUSSEN VIS EN AMFIBIE, ACANTHOSTEGA, MET VIER POTEN MAAR OOK MET KIEUWEN

De ontwikkeling moet geleidelijk zijn verlopen, zoals blijkt uit het - overigens schaarse - beschikbare fossiele materiaal, maar het begin van die evolutionaire ontwikkeling was niet erg duidelijk. De eerste bekende levensvormen die zich zoín beetje in het grensgebied tussen vissen en amfibieŽn ophouden, zoals Acanthostega, hadden in feite al redelijk ontwikkelde poten. De vondst van een 'opperarmbeen' uit het Devoon werpt nu een nieuw licht op de vroegste ontwikkeling van poten; het kan volgens de onderzoekers worden toegeschreven aan een voorloper van Acanthostega.

Hoe onaanzienlijk het gevonden botje (van ca. 4 cm groot) ook is, evolutionair is het van grote betekenis. Uit de anatomie kan worden opgemaakt dat het noch om een poot, noch om een vin gaat, maar iets er tussenin. Dat betekent dat de vroegste landdieren al iets van poten moeten hebben gehad en niet - zoals de paling of de slangekopvis - alleen maar in staat zij om land stroken te overbruggen door hun lichaam te gebruiken voor de voortbeweging zoals ook slangen dat doen. Die pootachtige structuren kunnen op het land al direct nu hebben gehad, bijv. om zich op te richten om bij bepaald voedsel te komen of om naar mogelijke vijanden uit te kijken.

Het is echter moeilijk voorstelbaar dat vissen poten ontwikkelden omdat ze daarmee op het land beter uit de voeten zouden kunnen. Dat geldt temeer omdat poten en vinnen duidelijk verschillen wat betreft hun stand en hun mate van beweeglijkheid ten opzichte van het lichaam. Ook in dit opzicht is het nu gevonden fossiel een 'missing link': het moet een stand hebben gehad die het minder geschikt maakte al steun voor het lopen op land. Het gewicht van het dier vereist bij lopen op land immers dat de poten min of meer verticaal van het lichaam naar de grond gaan. De hoek waaronder de poot (of vin) van het nu gevonden fossiel stond, was echter niet geheel recht. Dat maakt deze ledemaat ongeschikt voor lopen op het land. Daarentegen kan het dier echter wel in het water over de bodem hebben gelopen. De nogal stompe poten moeten daarbij de mogelijkheid hebben geboden om over zeer zachte, modderige bodems te lopen. Ook moeten ze het mogelijk hebben gemaakt om langdurig op de bodem stil te staan, bijv. in afwachting van een prooi. Dergelijke activiteiten kunnen het ook voor vissen aantrekkelijk hebben gemaakt om 'poten te ontwikkelen'. Deze evolutionaire ontwikkeling, die er korte tijd later toe zou leiden dat dieren op het land konden gaan lopen, is zo goed te verklaren.

Referenties:
  • Clack, J.A., 2004. From fins to fingers. Science 304, p. 57-58.
  • Shubin, N.H., Daeschler, E.B. & Coates, M.I., 2004. The early evolution of the tetrapod humerus. Science 304, p. 90-93.


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl