NGV-Geonieuws 74 artikel 477

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Augustus 2004, jaargang 6 nr. 15 artikel 477

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 74! Op de huidige pagina is alleen artikel 477 te lezen.

<< Vorig artikel: 476 | Volgend artikel: 478 >>

477 De omstandigheden direct na de inslag op de K/T-grens
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Astronomie !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

De massauitsterving na de inslag van een groot hemellichaam, 65 miljoen jaar geleden, op de plaats waar nu de (begraven) Chicxulub-inslagkrater ligt, was enorm, maar niet totaal. Hoe kon het dat sommige plant- en diergroepen overleefden en andere niet? Een belangrijke oorzaak, waaraan tot nu toe weinig aandacht is besteed, betreft de omstandigheden waarin de aarde direct na de inslag verkeerde, en de mogelijkheden voor de diverse typen organismen om die omstandigheden te overleven. Daarnaar is nu een onderzoek uitgevoerd door een team van aardwetenschappers en biologen.


DE INSLAANDE BOLIDE OP DE K/T-GRENS

Al eerder was opgemerkt dat veel kleine landdieren, inclusief zoogdieren, de inslag overleefden. Dat geldt ook voor reptielen zoals krokodillen en schildpadden. De dinosauriŽrs daarentegen stierven (bijna) alle direct uit. De vogels, die zich uit de dinosauriŽrs hadden ontwikkeld, slaagden er echter wel in om te overleven. Dit intrigerende patroon heeft geleid tot tal van hypotheses, maar geen enkele daarvan kon het overlevingspatroon overtuigend verklaren.

Volgens het nu uitgevoerde onderzoek moet de oorzaak voor het - op het eerste gezicht onverklaarbare - patroon van uitsterven niet worden gezocht in de gevolgen van de inslag voor de aarde op langere termijn (dagen, jaren) - bijv. in de vorm van een stofwolk die zoveel zonlicht wegnam dat er geen planten meer konden groeien en er dus ook geen voedsel meer was - maar in de omstandigheden direct (dat wil zeggen: in de eerste uren) na de inslag.

Die eerste uren moeten gekenmerkt zijn geweest door een enorme hittepuls, die het gevolg was van de intense infrarode straling die - als gevolg van de wrijving in de atmosfeer - werd uitgezonden door de brokstukken van aarde en meteoriet die na de inslag hoog de ruimte in waren geslingerd. De hittepuls moet zo groot zijn geweest dat alle landdieren die daar niet goed tegen waren afgeschermd - door een leefwijze onder de grond, onder rotsen of in water, of doordat ze in de vorm van sporen, zaden, wortels of als bijv. 'begraven' eieren niet erg kwetsbaar waren - direct moeten zijn gedood. Waar voldoende brandstof (in de vorm van planten of anderszins) aanwezig was, moeten grote branden zijn uitgebroken.

Berekeningen geven aan dat de terugvallende brokstukken wereldwijd een in warmte omgezette energie vertegenwoordigden die op 70 km hoogte ongeveer duizendmaal groter was dan de energie die nodig is om een droog bos in brand te zetten. De temperatuur op 70 km hoogte moet urenlang zoín 500-800 graden Celsius hebben bedragen. Hete kleine deeltjes moeten deze energie naar het aardoppervlak hebben overgebracht; de onderzoekers zien in deze 'regen' van deze deeltjes de oorzaak van het patroon van uitstervingen voor de dieren die niet in zee leefden. Ze veroorzaakten lokaal bijv. branden, waardoor tijdelijk een tekort aan zuurstof in de lucht kon ontstaan. Alleen diergroepen die voor langere tijd onder water konden blijven zonder adem te halen (zoals krokodillen en schildpadden) zouden zoín tijdelijk zuurstoftekort hebben kunnen overleven.

Zo geven de onderzoekers voor een groot aantal diergroepen aan waarom zij, op basis van de directe en/of indirecte gevolgen van de hittepuls, wel of niet (deels) konden overleven. Ze vergelijken die theoretische benadering met wat er uit de paleontologische praktijk bekend is over de massauitsterving. Theorie en praktijk blijken zeer goed met elkaar overeen te komen (al zijn er natuurlijk uitzonderingen). Dat wijst erop dat de kortstondige hittepuls inderdaad gezien kan worden als de belangrijkste oorzaak voor het uitsterven van zoveel planten- en diergroepen. De massauitsterving vond dus binnen slechts enkele uren plaats.

Referenties:
  • Robertson, D.S., McKenna, M.C., Toon, O.B., Hope, S. & Lillegraven, J.A., 2004. Survival in the first hours of the Cenozoic. Geologicalo Society of America Bulletin 116, p. 760-768.


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl