NGV-Geonieuws 4 artikel 48

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Augustus 1999, jaargang 1 nr. 4 artikel 48

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 4! Op de huidige pagina is alleen artikel 48 te lezen.

<< Vorig artikel: 47 | Volgend artikel: 49 >>

48 Afdrukken in modder onthullen loop van dinosauriėr
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over (Dino)sauriers ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Hoe liepen de grote dinosauriėrs? Geven films als Jurassic Park daarvan een goede indruk? En hoe zouden we dat precies te weten moeten komen? Voetsporen van talrijke soorten sauriėrs zijn veelvuldig aangetroffen, maar hun interpretatie was vaak moeilijk, omdat de sporen vaak op een relatief harde ondergrond waren achtergelaten. Dergelijke slecht ontwikkelde loopsporen konden vaak op diverse wijzen worden geļnterpreteerd. Zo meenden bepaalde onderzoekers in de sporen van sommige van de op vier poten rondlopende dinosauriėrs grote gelijkenis te herkennen met die van loopvogels. Dat zou dan een extra argument opleveren voor de afstamming van de vogels, als een uit de sauriėrs afgesplitste tak.


DINOSAURUSSPOREN IN DE SPAANSE PYRINEEĖN

Prachtig bewaarde sporen van dinosauriėrs die zo’n 200 miljoen jaar rondliepen in Oost-Groenland, geven echter een heel ander beeld te zien. Dat beeld berust voor een deel op het feit dat de sporen werden achtergelaten in sedimenten met sterk uiteenlopende 'zompigheid'. In stevig zand maakten de sauriėrs maar zeer ondiepe indrukken, soms zakten ze een eindje in een modderbodem weg. Op basis van de verschillende aspecten van de sporen die deze dieren in de verschillende sedimenten achterlieten, kan hun bewegingspatroon redelijk gedetailleerd worden gereconstrueerd: hoe dieper ze wegzakten, hoe meer van hun beweging als het ware in het sediment werd vastgelegd.

Bij vierpotige dinosauriėrs was de 'kleine teen' zo sterk gereduceerd dat hij nauwelijks of niet meer te onderscheiden was. De 'grote teen' was kort en was opgehangen aan het tweede middenvoetsbeentje, midden onder de voet; bij terapoden die meer op vogels lijken, zit de grote teen min of meer aan de achterkant van de voet. Bij de eerste vogel, Archaeopteryx, was de grote teen zelfs opponeerbaar met de andere tenen. Bij verdere evolutie leidde dit bij de vogels tot de klauwen zoals we die nu kennen, waarbij de vogels zich bijv. gemakkelijk aan een tak kunnen vasthouden. De plaats van de grote teen, midden onder of achter onder de voetzool, is daarom vaak gebruikt als een criterium om vogels van andere terapoden te onderscheiden.

Bij de in Groenland gevonden sporen blijkt de 'grote teen' bij het neerzetten vogelkenmerken te vertonen, terwijl zich bij het ophalen van de voet juist de van andere terapoden bekende kenmerken voordoen. Analyse van de sporen wijst uit dat dit komt doordat de dieren hun tenen bij het optrekken van een poot naar binnen bogen. Met hun ingetrokken tenen werden hun voetindrukken langer naarmate de ondergrond drassiger was; ze konden dan kennelijk gemakkelijker 'waden' zonder hun poten rechtomhoog uit de bagger op te trekken. Vogels zoals kalkoenen blijken bij het rennen door modder precies hetzelfde te doen, een kennelijk evolutionaire overerving.

De hiel van de onderzochte sauriėrs zat echter wat lager dan bij recente vogels. Dat wijst erop dat ze krachtiger dijbenen hadden. Zo zijn er op basis van de afdrukken meer anatomische gegevens te reconstrueren. Met computerbewerkingen konden de onderzoekers zo overeenkomsten en verschillen met de beweging van recente loopvogels vaststellen en visualiseren. De overeenkomsten blijken veel groter dan de verschillen, wat op zich ook weer ondersteuning geeft aan de nog steeds niet door alle deskundigen onderschreven hypothese dat de vogels van de sauriėrs afstammen.

Referenties:
  • Gatesy, S.M., Middleton, K.M., Jenkins Jr., F.A. & Shubin, N.H., 1999. Three-dimensional preservation of foot movements in Triassic theropofd dinosaurs. Nature 399, p. 141-144.
  • Padlan, K., 1999. Dinosaur tracks in the computer age. Nature 399, p. 103-104.

N.B.: een iets afwijkende versie van dit bericht werd onder de titel '3-D-sporen tonen bewegingsmechanisme van dinosauriėrs' geplaatst in de bijlage 'Wetenschap & Onderwijs' van NRC Handelsblad (22 mei 1999).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl