NGV-Geonieuws 76 artikel 485

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 September 2004, jaargang 6 nr. 17 artikel 485

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 76! Op de huidige pagina is alleen artikel 485 te lezen.

<< Vorig artikel: 484 | Volgend artikel: 486 >>

485 Amoebensoorten bijna 100.000.000 jaar onveranderd
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Fossiele amoeben (eencellige organismen die bijna geheel uit water bestaan) zijn al bekend uit het Precambrium, maar ze worden slechts zelden gevonden, behalve in afzettingen uit het Kwartair. De oudere amoeben komen vooral uit mariene afzettingen, en hun betekenis voor de vroegere ecosystemen op het land is dan ook nauwelijks bekend. Een team onderzoekers uit Jena heeft nu een groot aantal amoeben geanalyseerd uit barnsteen uit het Cenomanien (vroegste Laat-Krijt, 99-93 miljoen jaar geleden) van Schliersee (Zuid-Duitsland). Van deze barnsteen bezit de universiteit duizenden kleine stukjes. Het onderzoek heeft tot enkele interessante resultaten geleid.


Minuscuul stukje hars (0,07 mm³) met vier amoebensoorten


Phryganella paradoxa (exemplaren ca. 25 micron in doorsnede)


Het blijkt dat de barnsteen buitengewoon rijk is aan gefossiliseerde microorganismen. Zo bevat het een grote hoeveelheid verschillende zoetwaterrhizopoden (Gymnamoebia en Testacealobosia). De gevonden exemplaren blijken niet te onderscheiden van thans nog levende soorten, hetgeen inhoudt dat deze evolutionair zijn blijven stilstaan. Het gaat daarbij om de soorten Centropyxis delicatula, Centropyxis hirsuta, Phryganella acropodia en Phryganella paradoxa. Van de aangetroffen ruim 230 exemplaren behoorden er ruim 200 tot de laatste soort. Deze exemplaren komen niet willekeurig verspreid voor: zo bleek één barnsteenmonster zo’n 200 exemplaren van P. paradoxa te bevatten, terwijl een ander monster van slechts 0,07 mm3 alle vier soorten bleek te herbergen.

Uit deze vondsten blijkt dat ook amoeben goed in hars kunnen worden opgenomen en de omzetting van hars tot barnsteen kunnen 'overleven'. De onderzoekers hebben geprobeerd uit te vinden hoe dat in zijn werk gaat, door dit proces experimenteel na te bootsen. Dit bleek bepaald niet altijd mee te vallen maar levende protozoa met een schaaltje bleken wel goed in het hars van een aantal bomen (o.a. Pinus) te kunnen worden opgenomen. Daarbij kunnen ook de zachte delen goed bewaard blijven.

De onderzochte barnsteen ontstond uit hars van bomen in een (sub)tropisch, (sub)humide kustgebied. Daarin moeten of kleine poelen hebben bestaan waarin de amoeben leefden, of er moeten holtes in de bomen zijn geweest of - wat de onderzoekers waarschijnlijker vinden - tussen hun wortels, waarin zich plasjes water konden verzamelen. Die plasjes moeten ten minste enkele dagen of weken hebben bestaan.

Referenties:
  • Schmidt, A.R., Schönborn, W. & Schäfer, U., 2004. Diverse fossil amoebae in German Mesozoic amber. Palaeontology 47, p. 185-197.

Foto’s welwillend ter beschikking gesteld door Alexander Schmidt, Institut für Ökologie, Friedrich-Schiller-Universität, Jena (Duitsland).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl