NGV-Geonieuws 81 artikel 507

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


15 November 2004, jaargang 6 nr. 22 artikel 507

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 81! Op de huidige pagina is alleen artikel 507 te lezen.

<< Vorig artikel: 506 | Volgend artikel: 508 >>

507 Reuzenhert stierf pas ver na einde ijstijd uit
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Al zoín 10 jaar is bekend dat de mammoet niet op het einde van de laatste ijstijd uitstierf, maar dat 'dwergvormen' nog tot ca. 4000 jaar geleden voortleefden in SiberiŽ. Nu blijkt dat ook het reuzenhert (Megaloceros giganteus) niet uitstierf op de grens Pleistoceen/Holoceen, maar nog tot ongeveer 7700 jaar geleden op aarde rondliep - ook in SiberiŽ. Deze bevinding ondergraaft in sterke mate de tot nu toe vrij algemeen aangehangen theorie dat de grote zoogdieren op het westelijk halfrond in een soort massauitsterving van de aarde verdwenen bij de overgang van het koude klimaat van de ijstijd naar een meer gematigd klimaat.


Reconstructie van het reuzenhert


Geraamte van het reuzenhert


Hiermee komt in feite de basis weg te vallen onder een al lang durende, felle discussie over die 'plotselinge' verdwijning van de Pleistocene megafauna. In die discussie bestaan twee kampen, die - veel te generaliserend gesteld - hetzij de stelling verdedigen dat de plotselinge temperatuurstijging en de daarmee samenhangende verandering van vegetatie, prooidieren etc. verantwoordelijk waren, hetzij stellen dat overbejaging door de zich toen plotseling sterk ontwikkelende en uitbreidende Mens hieraan ten grondslag lag. Overigens zijn er uiteraard ook wetenschappers die, meer voorzichtig, verkondigen dat een combinatie van beide factoren als schuldige moet worden aangewezen. Nu, na de wolharige mammoet, ook het reuzenhert zich aan het plotseling verdwijnen van de megafauna blijkt te hebben onttrokken, lijkt de discussie over de oorzaak van die 'massauitsterving' niet of nauwelijks meer ter zake. De vraag rijst zelfs wanneer voor andere grote zoogdieren zal kunnen worden vastgesteld dat ze de grens Pleistoceen/Holoceen overleefden.

Het reuzenhert moet, met zijn schofthoogte van meer dan twee meter, een imposante verschijning zijn geweest. De mannetjes hadden bovendien een gewei dat zijn weerga niet kent in de geologische geschiedenis. De talloze geweien die gevonden zijn (onder meer in moerassige veengebieden) wegen tot 40 kg en zijn tot zoín 3,5 m breed. Deze geweien bevatten tot 8 kg calcium en 4 kg fosfaat. Omdat het gewei ieder jaar werd afgeworpen en nieuw gevormd, moet er rijkelijk goed voedsel aanwezig zijn geweest. Dat is weliswaar in veel bossen het geval, maar vanwege zijn gewei kan het reuzenhert daar niet in hebben geleefd. Het meest waarschijnlijk is dat hij leefde op open vlaktes, waar struiken van wilgen en berken voor voldoende voedingsstoffen zorgden.

De onderzoekers stellen vast dat reuzenherten 20.000 jaar geleden nog in groten getale voorkwamen van Ierland tot Rusland, en van ScandinaviŽ tot de Middellandse Zee. Tijdens het zogeheten Laat-Glaciale Maximum, 15.000 jaar geleden, waren er echter nog maar weinig van over, waarschijnlijk alleen in van struiken voorziene steppen in centraal AziŽ. Ook daar verdwenen ze echter op den duur toen het klimaat (en daarmee de vegetatie) veranderde, uitgezonderd in sommige kleine gebieden in het heuvelachtige voorland van de oostelijke Oeral. Daar konden ze overleven tussen de dichte bossen op de berghellingen (waar de herten met hun grote gewei zich niet konden bewegen) en de droge steppen ten oosten van de Oeral (waar ze onvoldoende voedsel konden vinden om jaarlijks een nieuw gewei te vormen). In het heuvelachtige gebied tussen deze twee vegetatiezones bleven echter nog lang voldoende gunstige omstandigheden bestaan, waardoor het edelhert zeker tot zoín 7700 jaar geleden voortleefde, totdat ook deze steeds nauwere zone met gunstige vegetatie verdween.

Referenties:
  • Pastor, J. & Moen, R.A., 2004. Ecology of ice-age extinctions. Nature 431, p. 639-640.
  • Stuart, A.J., Kosintsev, P.A., Higham, T.F.G. & Lister, A.M., 2004. Pleistocene to Holocene extinction dynamics in giant deer and woolly mammoth. Nature 431, p. 684-689.


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl