NGV-Geonieuws 86 artikel 534

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Februari 2005, jaargang 7 nr. 3 artikel 534

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 86! Op de huidige pagina is alleen artikel 534 te lezen.

<< Vorig artikel: 533 | Volgend artikel: 535 >>

534 Kilometers lange groeven in zeebodem door afglijdende massa
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Geofysica ! Klik hier voor alle artikelen over Geomorfologie !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Met 3-D seismisch onderzoek is voor de kust van Angola een groot, 30-200 m dik pakket gevonden dat ter plaatse moet zijn afgezet na transport in de vorm van een grote afglijding. Het pakket bedekt een gebied van ongeveer 430 km2 en het totale volume van het pakket is zon 20 km3, wat er op wijst dat er een catastrofale afglijding moet hebben plaatsgevonden. Het materiaal dat afgleed moet oorspronkelijk een gebied van ca. 130 km2 hebben beslagen.


Model van de ontwikkeling van de megagroeven

Het catastrofale karakter komt onder meer tot uiting in de aanwezigheid binnen het afgegleden materiaal van gigantische, min of meer plaatvormige gesteentefragmenten, die 1-5 km in doorsnede zijn en 100-150 m dik. Ee n andere indicatie van het catastrofale karakter zijn groeven die bij de afglijding in het onderliggende pakket zijn uitgeschuurd. Die groeven zijn in de orde van grootte van 9 km lang, en zo geprononceerd (tot 15 m diep) dat ze zelfs in het seismische profiel zijn terug te vinden. Deze 'megagroeven', die voorkomen in een gebied van meer dan 130 km2, beginnen aan hun bovenkant zeer plotseling, precies bij een breuk. Ook op basis van andere gegevens komen de onderzoekers tot de conclusie dat de afglijding bij deze breuk moet zijn begonnen. De groeven zijn waarschijnlijk bij het begin van het afglijden ontstaan.


Seismisch dwarsprofiel, met daarin de megagroeven

De groeven, die betrekkelijk platte onderkanten hebben en ruwweg - maar niet precies - parallel aan elkaar lopen, worden na ongeveer 6 km minder diep, wat er op wijst dat de kracht van het proces dat hun uitschuring bewerkstelligde hellingafwaarts afnam. Direct boven de groeven toont het pakket een chaotisch karakter, wat er op wijst dat de oorspronkelijke gelaagdheid van het materiaal tijdens het transport is verdwenen.

Alle gegevens wijzen op een afglijding van het type dat in de vakliteratuur als 'debris flow' wordt aangeduid. Deze afglijding kon plaatsvinden omdat ter plaatse de onderzeese helling ongeveer 1,6 bedroeg, met in zijn steilste stukken een helling van ongeveer 3. Het materiaal had zeker niet al zijn cohesie verloren, want de seismische gegevens wijzen uit dat het oppervlak van het afgezette pakket zeer onregelmatig was. Op basis van al deze karakteristieken kunnen de onderzoekers vrij nauwkeurig reconstrueren hoe het proces in zijn werk is gegaan: aanvankelijk ontstond, bij een breukvlak (en mogelijk ten gevolge van breukactiviteit, een afglijding, waarin het oorspronkelijke pakket als het ware werd opgebroken in blokken die achter elkaar van de helling gleden. De grote brokken schuurden de megagroeven in de zachte bodem uit. Naarmate het pakket verder van de helling afgleed, ontstond er een fijne matrix van materiaal dat van de brokstukken en van de bodem werd losgewerkt. Zo ontstond een pakket dat veel gemakkelijker konden verder glijden, en dat ook tientallen tot honderden kilometers deed, om uiteindelijk in de diepzee tot rust te komen.

Referenties:
  • Gee, M.J.R., Gawthorpe, R.L. & Friedmann, J.S., 2004. Giant striations at the base of a submarine landslide. Marine Geology 214, p. 287-294.

Figuren welwillend ter beschikking gesteld door Martin Gee, Department of Earth Sciences, The Universwity of Manchester, Manchester (Engeland).


Copyright NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl