NGV-Geonieuws 92 artikel 562

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Mei 2005, jaargang 7 nr. 9 artikel 562

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 92! Op de huidige pagina is alleen artikel 562 te lezen.

<< Vorig artikel: 561 | Volgend artikel: 563 >>

562 Paarden steeds overtuigender bewijs voor evolutie
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Paardachtigen (Equidae) zijn al van oudsher een bekend voorbeeld van evolutie, waarbij oorspronkelijk kleine soorten zich vanaf omstreeks 55 miljoen jaar geleden (Eoceen) ontwikkelden en vertakten tot - in het algemeen - steeds grotere vormen. De meeste takken liepen dood, maar het geslacht Equus (het moderne paard) overleefde - als enige. Overigens kent het moderne paard 8-10 soorten en talrijke ondersoorten.

De interesse in de evolutie van paarden stamt al van lang terug. Thomas Huxley, die een overtuigd aanhanger was van Darwins evolutietheorie, had in Europa al tal van fragmenten van fossiele paardenbotten gevonden en op basis daarvan een ruwe evolutielijn opgesteld. Hij wilde onder meer daarover vertellen op een rondreis door Amerika, waar hij in 1876 een serie lezingen zou houden. Tijdens die rondreis trof hij op Yale University een door de paleontoloog verzamelde hoeveelheid fossiele paardenbotten aan. Deze botten vulden zijn eigen collectie zo goed aan, dat hij de evolutionaire ontwikkeling van de paarden kon vervolmaken; vooral daarop ging hij toen tijdens zijn lezingen in.


Skelet van Archaeohippus, een paard uit het Mioceen van Florida

Sindsdien is er uiteraard een zeer grote hoeveelheid nieuw fossiel materiaal gevonden. Dat het daarbij gaat om een duidelijke evolutie op het niveau van een familie (de Equidae), is eens te meer een bewijs dat niet alleen soorten maar ook hogere taxa evolueren. Daarbij is ook duidelijk het complexe karakter van een dergelijke macroevolutie= '(evolutie op niveau hoger dan van enkele soort)' aan de dag getreden, met tal van uitstervende takken, maar ook met tal van takken naar soorten die nauw verwant zijn met Equus.

Equus ontwikkelde zich zowel in EuraziŽ (het vasteland van Europa en AziŽ samen) als in Noord- en Zuid-Amerika. In Amerika stierf het paard echter ongeveer 10.000 jaar geleden uit, waarschijnlijk door een combinatie van klimaatverandering, bejaging door de prehistorische mens, en mogelijk nog een aantal factoren (pas door de Spaanse conquistadores werd het paard weer opnieuw in Amerika geÔntroduceerd). In EuraziŽ werd het woongebied weliswaar kleiner, maar bleef het paard wijdverspreid. Het werd omstreeks 6000 jaar geleden gedomesticeerd uit een soort (E. caballus) die veel gelijkenis vertoonde met het wilde Przewalski-paard (dat overigens ook wel als een aparte soort wordt beschouwd: E. przewalskii).

De beperkte huidige variatie van de Equidae (met slechts ťťn geslacht) staat in schril contrast tot de vroegere situatie, zoals die nu uit fossielen bekend is. Er zijn inmiddels enkele tientallen fossiele geslachten van de Equidae bekend, en enkele honderden (uitgestorven) soorten.

Grote bijdragen zijn geleverd door de (goed fossiliseerbare) tanden. Deze ondergingen aanzienlijke veranderingen; soms snel, soms langzaam. Uit de tanden is ook het dieet te reconstrueren, en ook dat blijkt in de loop der tijd te zijn aangepast aan nieuwe omstandigheden. In het Eoceen en Vroeg-Mioceen hadden paarden tanden die vooral geschikt waren voor zachte bladeren. Dat type gebit werd daarna plotseling vervangen door andere typen. De meeste soorten ontwikkelden een gebit voor de grasvlaktes die 25-15 jaar miljoen jaar geleden ontstonden. Sommige soorten gingen daarna terug naar een gemengd dieet van gras en bladeren.

Het vele fossiele materiaal dat nu bekend is heeft niet geleid tot wezenlijke veranderingen in de evolutionaire geschiedenis die al ruim honderd jaar geleden was gereconstrueerd, maar heeft deze uiteraard wel sterk verfijnd (en een beter inzicht gegeven in de veranderende omstandigheden die aanpassing noodzakelijk maakten). De stamboom is, ondanks de ongetwijfeld nog aanwezige hiaten, nu zo compleet dat er gesproken mag worden van een onweerlegbaar bewijs van geleidelijke evolutie.

Referenties:
  • MacFadden, B.J., 2005. Fossil horses - evidence for evolution. Science 307, p. 1728-1730.

Foto (Florida Museum of Natural History) welwillend ter beschikking gesteld door Bruce MacFadden, Florida Museum of Natural History, University of Florida, Gainesville, FL (Verenigde Staten van Amerika)


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl