NGV-Geonieuws 94 artikel 574

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Juni 2005, jaargang 7 nr. 11 artikel 574

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 94! Op de huidige pagina is alleen artikel 574 te lezen.

<< Vorig artikel: 573 | Volgend artikel: 575 >>

574 Rivierpatroon in Afrika is jong
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Geomorfologie !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

De grote Afrikaanse rivieren die op een of andere wijze geografisch iets met de Sahara te maken hebben, volgen een loop die betrekkelijk jong is. Jong althans in vergelijking met veel andere grote rivieren. Ze vertonen tal van verschijnselen die aantonen dat ze aan tal van veranderingen onderhevig zijn. Het gaat daarbij onder meer om het optreden van delta’s in meren in het binnenland, om stroomversnellingen (in de Nijl bij Assoean en in de Congo bij Stanley Pool) en grote watervallen (de Victoria en de Caborra Bassa watervallen in de Zambesi; de Watervallen in de Oranjerivier bij Augrabies), en om onthoofding (het aftappen van de ene rivier door de andere, als gevolg van achterwaartse erosie.)


De vruchtbare grond langs de Nijl en de Nijldelta steken scherp af tegen de woestijn

Al deze verschijnselen geven aan dat de rivieren een tamelijk complexe geschiedenis achter de rug hebben. Die begon in feite nadat in het Vroeg-Krijt het supercontinent Gondwanaland was begonnen uiteen te vallen. Toen Afrika als een op zichzelf staand continent was ontstaan, ontwikkelde het zich in veel opzichten anders dan de meeste continenten. Dat is vooral te danken aan het feit dat de aardschol die Afrika draagt geen actieve maar passieve grenzen heeft. De tektoniek van Afrika wordt daardoor niet beheerst door de schollentektoniek (die in andere continenten vaak - door laterale druk - heeft geleid tot plooiingsgebergten), maar wordt gedomineerd door verschijnselen zoals bekkenvorming, grote slenken (zoals het oost-Afrikaanse riftsysteem) en opwelvingen. Het Atlasgebergte vormt hierop de enige uitzondering na het Mesozoïcum.


De Victoria Falls in de Zambesi leveren een indrukwekkend schouwspel op

Binnen de Afrikaanse schol komen wel zeven 'hotspots' voor: plaatsen waar materiaal uit de aardmantel ver opstijgt. Op die plaatsen komt het land omhoog, waarbij gedacht moet worden aan opwelvingen met doorsnedes in de orde van 1000-2500 km. Tussen die opwelvingen vormen zich uiteraard depressies; voorbeelden zijn het Congo- en het Tsjaad-Bekken. Deze configuratie van opwelvingen en depressies heeft in het Kenozoïcum het rivierpatroon grotendeels bepaald. Daarnaast zijn opheffingen langs grote delen van de kust, en de ontwikkeling van het grote slenksysteem de belangrijkste factoren.

Samenvattend kan worden gesteld dat de belangrijkste gebeurtenissen voor de ontwikkeling van het Afrikaanse rivierpatroon bestonden uit: (1) de defintieve afscheiding van Zuid-Amerika (ca. 100 miljoen jaar geleden), (2) het beginnend vulkanisme op de plateaus van Ethiopië en Oost-Afrika, in samenhang met opwellend mantelmateriaal (45 miljoen jaar geleden), (3) het begin van slenkvorming van het Oost-Afrikaanse riftsysteem en de Rode zee (30 miljoen jaar geleden), (4) de opheffing van de gebieden langs de Rode Zee (13,8 miljoen jaar geleden) en de opening van de Golf van Aden (10 miljoen jaar geleden), (5) de opdroging van de Middellandse Zee (6 miljoen jaar geleden), en (6) het begin van de droogteperiode van het Pleistoceen (2,4 miljoen jaar geleden).

Waar op andere continenten veel rivieren hun loop gedurende vele tientallen miljoenen jaren - of nog langer - niet noemenswaardig veranderden, daar is het rivierpatroon in Afrika dus (geologisch gezien) heel kort geleden tot stand gekomen.

Referenties:
  • Goudie, A.S., 2005. The drainage of Africa since the Cretaceous. Geomorphology 67, p. 437-456.

Satellietopname Nijldelta: NASA.


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl