NGV-Geonieuws 96 artikel 582

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Juli 2005, jaargang 7 nr. 13 artikel 582

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 96! Op de huidige pagina is alleen artikel 582 te lezen.

<< Vorig artikel: 581 | Volgend artikel: 583 >>

582 Stranding van potvissen mogelijk gevolg van hoge zonneactiviteit
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Astronomie ! Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Gedurende de laatste tientallen jaren zijn er steeds meer mannelijke potvissen (Physeter macrocephalus) op de kusten rondom de Noordzee gestrand. De oorzaak is niet echt duidelijk; menselijke activiteit (in de vorm van verontreinigingen en/of geluidsoverlast) worden er vaak mee in verband gebracht. Een andere hypothese is dat de uitbreiding van het aantal potvissen sinds de jacht erop werd gestaakt, een groter aantal strandingen tot logisch gevolg heeft. Aan natuurlijke oorzaken wordt gewoonlijk weinig aandacht besteed, hoewel strandingen van potvissen al sinds mensenheugenis voorkomen.


Een gestrande potvis bij Thornham

Het feit dat potvissen (en sommige andere walvisachtigen) meer lijken te stranden dan andere dieren, kan verschillende oorzaken hebben. Bekend is dat potvissen grote afstanden door de oceanen afleggen, vaak volgens duidelijk vooraf bepaalde routes. Hoe ze hun plaats bepalen, is niet duidelijk, maar het lijkt waarschijnlijk dat ze zich - net als trekvogels - oriŽnteren aan de hand van het aardmagnetisch veld. En juist dat aardmagnetisch veld is niet stabiel: zonnestraling (met zijn veranderlijke flux van geÔoniseerde deeltjes) kan het aardmagnetisch veld beÔnvloeden, in het bijzonder gedurende geomagnetische stormen.


Zonnevlekken in 2003

De energieflux van de zon verandert periodiek, onder meer via de bekende 11-jarige cyclus die verband houdt met de zonneactiviteit (zoals vast te stellen aan de zonnevlekken). De cyclus is niet erg precies, en varieert - volgens waarnemingen gedurende drie eeuwen - tussen de 8 en de 17 jaar. Korte cycli worden gekenmerkt door een relatief grote energieflux, lange door een geringe flux. Al eerder werd vastgesteld dat gedurende een periode met relatief weinig zonneactiviteit (1780-1910) weinig potvissen langs de Noordzee strandden. Twee Duitse onderzoekers zijn nu nagegaan of een dergelijke relatie ook voor de hele door geschreven bronnen gedekte periode van 1712 tot 2003 geldt.

Bij deze analyse bleek dat 72 van de vastgelegde strandingen (74%) plaatsvond tijdens zonnecycli die korter duurden dan 11 jaar (en waarin dus een relatief hoge zonneflux bestond). De relatie die hieruit kan worden opgemaakt is echter niet geheel helder, omdat de gemiddelde lengte van de desbetreffende 'korte' cycli 10,4 jaar bedroeg. Het is daarom ook interessant dat is onderzocht gedurende welke zonnecycli geen strandingen plaatsvonden. Slechts in twee van de zestien 'korte' cycli bleek dat het geval (12,5%), terwijl in 55% van de 'lange' cycli wel strandingen plaatsvonden. Wanneer op deze getallen statistiek wordt toegelaten (chikwadraattest) dan blijkt er inderdaad een significant verband te bestaan tussen de zonneactiviteit en het aantal gestrande potvissen.

De vraag is natuurlijk wel of de uitgangsgegevens (291 jaar van waarnemingen, 27 zonnecycli en 97 strandingen) een ondubbelzinnig bewijs leveren. Het lijkt er echter op dat zoín verband bestaat. Daarmee is overigens nog niet precies duidelijk op welke wijze verhoogde zonneactiviteit de potvissen misleidt bij hun navigatie.

Referenties:
  • Vanselow, K.H. & Ricklefs, K., 2005. Are solar activity and sperm whale Physeter macrocephalus strandings around the North Sea related? Journal of Sea Research 53, p. 319-327.

Foto van de gestrande potvis: Richard Saunders.


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl