NGV-Geonieuws 102 artikel 610

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Oktober 2005, jaargang 7 nr. 19 artikel 610

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 102! Op de huidige pagina is alleen artikel 610 te lezen.

<< Vorig artikel: 609 | Volgend artikel: 611 >>

610 Geheim van vreemde meren in Alaska opgelost
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Geomorfologie !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Aan de noordkant van Alaska komen duizenden meren voor die de geologen en landschapskundigen tientallen jaren voor raadsels hebben gesteld. Ze vertonen namelijk allemaal dezelfde merkwaardige eigenschap: ze hebben allemaal een langgerekte eivorm, met een punt die naar het noordwesten wijst. Bovendien groeien deze meren in lengte, tot zo’n 5 m per jaar, en dat gebeurt - naar het schijnt - al duizenden jaren. Een aantal van deze meren is dan ook inmiddels behoorlijk groot geworden (soms meer dan 25 km). Er zijn overigens ook zulke meren die kennelijk nog in een zeer jong stadium verkeren, en die kleiner zijn dan een kilometer. De meren hebben inmiddels een eigen 'soortnaam' gekregen: langgerekte dooimeren.


De georienteerde meren bij Atquasuk (false-colour opname)

De vorm en voorkeursrichting van deze meren werden tot nu toe toegeschreven aan circulatiepatronen van het water die door de wind worden veroorzaakt, alsmede aan erosie door golfwerking. Die factoren verklaren echter niet waarom deze typische meren alleen voorkomen in het noorden van Alaska, het noorden van Canada en het noorden van Siberië. Er blijkt dan ook een veel overtuigender verklaring mogelijk.


De meren in het Barrow-gebied (false-colour opname)

Volgens Jon Pelletier, notabene aardwetenschapper in het hete Tucson (Arizona), zijn de diverse 'mysterieuze' eigenschappen alle te verklaren door de jaarlijks herhaalde opdooi van de permafrost. Dat opsmelten leidt tot een waterverzadigde oever van de meren, waardoor vaak een soort afglijding (slumping) plaatsvindt. Dat gebeurt vooral wanneer het in de lente plotseling veel warmer wordt: de oevers kunnen het water van de permafrost dan niet snel genoeg kwijt, worden instabiel, en het afglijden begint. Komt de dooi langzamer, dan kan het smeltwater langzaam uit de grond wegvloeien en blijft de grond stabieler, Dan vinden er geen (of veel minder) afglijdingen plaats.

Een tweede factor is dat het landschap in Noord-Alaska licht naar het noorden helt. In zo’n hellend landschap is de laagste oever altijd iets minder breed dan de andere oevers. Zo ontstaat de punt van de eivorm. Bovendien blijkt de permafrost in deze korte oevers sneller te smelten dan elders. Dat verhoogt op dat punt de hoeveelheid afglijdingen, waardoor het meer zich weer wat verder in de richting van de 'punt van het ei' uitbreidt.

Deze processen vergeleek Pelletier met de tot nu toe veronderstelde gang van zaken dat op de noordhelling van Alaska de wind vooral in de richting loodrecht op de lengteas van de meren blaast, waardoor stromingen zouden ontstaan die vooral de oevers aan de twee buiteneinden eroderen. Op basis van een dataset die hij opbouwde op basis van satellietbeelden, kon hij vaststellen dat de 'oude' hypothese niet kan opgaan: daarvoor komen vorm, richting en oevermateriaal van de meren te weinig met de theorie overeen. Bovendien vond Pellentier dat veel grote meren voorkomen waar de grond kleirijk is. Dat zou volgens de 'oude' hypothese juist niet het geval moeten zijn.

Dat de meren inderdaad uitgroeien aan het laagste punt (de top van het ei) is niet zonder meer uit overleveringen op te maken. Het kan echter gemakkelijk worden gecontroleerd: gedurende de laatste decennia zijn er diverse keren luchtfoto’s van gebieden met deze meren gemaakt. Aan de hand van die foto’s moet de eventuele uitbreiding van de meren (en de richting daarvan) eenvoudig kunnen worden vastgesteld.

Referenties:
  • Pelletier, J.D., 2005. Formation of oriented thaw lakes by thaw slumping. Journal of Geophysical Research 110, doi:10.1029/2004JF000158.

Foto’s: LANDSAT


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl