NGV-Geonieuws 103 artikel 613

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


15 Oktober 2005, jaargang 7 nr. 20 artikel 613

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 103! Op de huidige pagina is alleen artikel 613 te lezen.

<< Vorig artikel: 612 | Volgend artikel: 614 >>

613 De oorsprong van de hoogste Alpentoppen
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Structurele geologie, (Plaat)tektoniek & Aardbevingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

De Alpen zijn een klassiek geologisch gebied dat veel heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van geologische theorieŽn (bijv. dekbladen), en binnen de Alpen is de hoogste top, de Mont Blanc met zijn hoogte van 4810 m, een - letterlijk - grote blikvanger. Desondanks is er nog steeds veel onduidelijk over de reden hoeveel (en het tijdstip waarop) de Mont Blanc en andere hoge toppen van de zogeheten externe kristallijne massieven in de Alpen (zoals de Aiguilles Rouges) zijn opgeheven.


De top van de Mont Blanc

De Mont Blanc en Aiguilles Rouges massieven zijn zogeheten vensters in de dekbladen van de Penniden en de Helvetiden. Dat wil zeggen dat het gaat om relatief oude gesteenten die zichtbaar zijn doordat ter plaatse de jongere bedekking is verdwenen. Dergelijke vensters zijn gewoonlijk in het terrein terug te vinden als laaggelegen gebieden binnen een hogere omgeving (zoals het Venster van Theux in de Belgische Ardennen), maar in de Alpen is het allemaal veel ingewikkelder door de aanwezigheid van dekbladen: grote (kilometers dikke en tientallen kilometers lange) pakketten die door tektonische activiteit over jongere pakketten heen zijn geschoven.


De Aiguilles Rouges, die ook tot het dak van Europa behoren

De tektoniek blijkt zo gecompliceerd dat er nog steeds onderling sterk uiteenlopende theorieŽn bestaan over de hoge Alpenmassieven. Het gaat daarbij onder meer om de grootte van breuken (zowel wat betreft hun lengte als de erlangs horizontaal en verticaal opgetreden verschuivingen), maar ook om de totale opheffing die de massieven hebben ondergaan. Volgens onderzoek van een team van Franse en Duitse onderzoekers, die uiteenlopende analysetechnieken hebben gebruikt, bedroeg de opheffing van de Aiguilles Rouges niet meer dan de dikte van de overliggende dekbladen (ongeveer 10 km), terwijl het massief waarvan de Mont Blanc uitmaakt van 15-20 km diepte moet zijn gekomen.

De opheffing van de beide massieven begon omstreeks 22 miljoen jaar geleden, waarschijnlijk boven een breuksysteem dat zich toen net begon te ontwikkelen. De verticale beweging langs deze breuk droeg 4-8 km bij aan de totale opheffing van de massieven. Aanvankelijk ging de beweging van de twee massieven (Mont Blanc en Aiguilles Rouges) gelijk op, maar daaraan kwam omstreeks 4 miljoen jaar geleden een einde. Sindsdien is de verplaatsing van het Mont Blanc massief sneller gegaan dan die van de Aiguilles Rouges, vooral door verschuiving langs een noordwaarts hellend breukvlak dat de zuidkant van dit gebied begrenst. In totaal is er een opheffing geweest van omstreeks 20 km. Door omgekeerde bewegingen langs een breukvlak is daarvan echter in de loop der tijd weer een deel teniet gedaan.

Referenties:
  • Leloup, P.H., Arnaud, N., Sobel, E.R. & Lacassin, R., 2005. Alpine thermal and structural evolution of the highest external crystalline massif: the Mont Blanc. Tectonics 24, doi:10.129/2004TC001676.


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl