NGV-Geonieuws 104 artikel 619

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 November 2005, jaargang 7 nr. 21 artikel 619

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 104! Op de huidige pagina is alleen artikel 619 te lezen.

<< Vorig artikel: 618 | Volgend artikel: 620 >>

619 Plesiosaurus at ook schelpdieren van de zeebodem
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over (Dino)sauriers ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

De meest karakteristieke groep van de plesiosauriŽrs, de elasmosauriden, omvatte soorten met een zeer lange nek. Tal van fossiele exemplaren (sommige hebben een maaginhoud die goed determineerbaar is) geven aan dat deze rovers uit de MesozoÔsche oceanen zich voedden met vissen. Algemeen werd daarom tot nu toe aangenomen dat hun lange nek behulpzaam was bij het vangen van vis.


Reconstructie van een elasmosauride PlesiosauriŽr die zich voedt met bodemdieren
Tekening Chris Glen

De vondst van twee elasmosauriden uit het Vroeg-Krijt van AustraliŽ wijst er echter op dat deze niet uitsluitend (en ook niet altijd vooral) vis aten. De maaginhoud van beide exemplaren, die elk 5-6 m lang waren en die ongeveer 1000 kg moeten hebben gewogen, bestaat namelijk vooral uit dieren die de plesiosauriŽrs van de zeebodem moeten hebben opgevist. Deze kennelijke variatie in voedsel zou mede kunnen verklaren waarom de plesiosauriŽrs het zo lang (aanzienlijk meer dan 100 miljoen jaar) op aarde hebben kunnen bolwerken.


Deel van de versteende maag met (inzet): Gastrolieten (geel) en schelpen (rood)


Deel van de bromaliet met rechtsonder een schelp. Meetlat 5 cm


In de maag van een van de twee exemplaren werden veel schelpen (vooral tweekleppigen - onder meer Macoyella - maar ook gastropoden) en crinoÔden (zeelelies) aangetroffen, naast skeletten van zwemmende organismen zoals belemnieten. Opvallend is de grote hoeveelheid (35) maagstenen (gastrolieten). Zulke maagstenen zijn ook van diverse recente diergroepen bekend (onder meer krokodillen); hun functie is niet geheel duidelijk. Sommigen menen dat de stenen helpen om voldoende gewicht te krijgen (zodat duiken gemakkelijker wordt), anderen menen dat ze een rol spelen bij de spijsvertering doordat ze helpen harde delen van prooi in de maag te kraken. Dit eerste exemplaar bevatte ook een 18 cm bromaliet, dat is een massa verteerd materiaal in het spijsverteringskanaal. De onderzoekers schatten dat deze bromaliet 92% tweekleppigen en gastropoden bevat en 8% resten van belemnieten; dat is een gelijke verhouding als in de maaginhoud.

Het tweede exemplaar had in zijn maag vooral kreeftachtige dieren, en maar liefst 135 gastrolieten. Analyse van deze stenen geeft aan dat ze afkomstig zijn uit gebieden die ten minste 300 km verwijderd zijn van de plek waar dit fossiel werd aangetroffen. Dit lijkt erop te wijzen dat er geen voortdurende afwisselingen van de hoeveelheden stenen in de maag optraden (wat gemakkelijk zou zijn geweest bij perioden van meer of minder duiken); aan de andere kant wijzen ongebroken schelpen in de bromaliet van het andere exemplaar erop dat de gastrolieten niet erg effectief waren bij het breken van harde materialen in de maag. De rol van deze stenen wordt daardoor bepaald niet duidelijker door deze vondsten.

Referenties:
  • McHenry, C.R., Cook, A.G. & Wroe, S., 2005. Bottom-feeding plesiosaurs. Science 310, p. 75.

Figuren welwillend ter beschikking gesteld door Colin McHenry, School of Environmental and Life Sciences, University of Newcastle, New South Wales (AustraliŽ) en Alex Cook, Geology, Queensland Museum, South Bank (AustraliŽ).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl