NGV-Geonieuws 108 artikel 638

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Januari 2006, jaargang 8 nr. 1 artikel 638

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 108! Op de huidige pagina is alleen artikel 638 te lezen.

<< Vorig artikel: 637 | Volgend artikel: 639 >>

638 Sporen van Ediacara-fauna bevestigen omwentelingen op grens Precambrium/Cambrium
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Een bijzonder type fossiel vormen de sporen die organismen hebben achtergelaten (ichnofossielen). Dat kunnen graaf-, kruip, eet- of rustsporen zijn, en nog tal van andere. In veel gevallen is onbekend welk organisme het spoor maakte, en daarom hebben de sporen - ter onderscheiding van elkaar - namen gekregen die gebaseerd zijn op dezelfde taxonomische nomenclatuurregels die in de biologie gelden. Inmiddels is, veelal door toevallige vondsten, voor enkele sporen bekend geworden door welk organisme ze zijn veroorzaakt.


Sporen (Oldhamia alata) van een onbekend fossiel. Deze sporen vertonen vanaf Precambrium tot Carboon een duidelijke 'evolutie'

Dergelijke gegevens, maar ook vergelijking met recente sporen, maken het mogelijk om aan fossiele sporen ook een betekenis toe te kennen wat betreft het organisme dat het spoor veroorzaakte, het milieu waarin de sporen werden veroorzaakt, en soms nog meer. Prof. Adolf Seilacher, die zoín veertig jaar geleden de ichnologie tot een echte discipline maakte, heeft nu samen met twee Canadese paleontologen, de ichnofossielen van de grens tussen Precambrium en Cambrium aan een nauwkeurige analyse onderworpen. Daarbij hebben de onderzoekers ook, op basis van nieuwe vondsten en nieuwe overwegingen, flink de bezem gehaald door de wildgroei aan namen voor de vroege ichnofossielen, en bovendien allerlei vormen nog eens kritisch bekeken met betrekking tot hun aard.


Structuur die vroeger als afdruk van een kwalachtig dier (Mawsonites) werd beschouwd, maar door de onderzoekers als pseudofossiel


Het 'meanderende' spoor Psammichnites saltensis


Dat laatste heeft geleid tot een aantal opvallende conclusies. Zo blijkt dat sommige structuren, die tot voor kort aangezien werden voor kruipsporen, zich vertakken. Sommige van die structuren (als ichnofossiel eerder Harlaniella genoemd) worden nu aangezien voor afdrukken van het lichaam van een organisme. In andere gevallen interpreteren de onderzoekers (net als sommige voorgangers trouwens) bepaalde horizontale 'ichnofossielen' nu als sedimentaire structuren zoals mini-loadcasts, terwijl ze sommige 'verticale' structuren eveneens als sedimentaire structuren beschouwen, zoals ontsnappingsstructuren van water uit samengeperste lagen.

Kortom, veel voormalige ichnofossielen worden door de onderzoekers niet langer als van biogene oorsprong beschouwd. Dat voeren ze m.i. te ver door, want ook Mawsonites, vroeger beschouwd als de afdruk van een kwalachtig organisme, wordt nu door hen als pseudofossiel geklassificeerd; het zou om een soort minizandvulkaantje gaan dat bewaard is gebleven door de werking van matten van microorganismen. Daarin geloof ik niet, vooral vanwege de regelmatige opbouw van deze structuur, die er ook op uiteenlopende plaatsen hetzelfde uitziet.


Straalvormige sporen (Radulichnus), aanvankelijk beschouwd als 'krabbels' van trilobietachtige organismen, maar nu als eetsporen (via gepaarde, radiaal georienteerde tanden) van een primitieve mollusk, Kimberella

Uit de analyse blijkt dat de ichnofauna van net voor de overgang Precambrium/Cambrium minder divers was dan tot nu toe werd aangenomen. Bovendien blijken er nauwelijks sporen van verschillende organismen op hetzelfde laagvlak voor te komen, wat er op zou kunnen wijzen dat de organismen elkaar meden. Tot die organismen behoorden onder meer zeer grote protozoŽn die in de ondiepe zeeŽn leefden. Op de overgang naar het Cambrium stierven deze merkwaardige organismen uit; veel andere organismen verdwenen kennelijk naar de diepzee (waar ze minder concurrentie ondervonden van de talrijke nieuwe soorten die toen plotseling ontstonden). Dat geldt onder meer voor Oldhamia, een geslacht van organismen die eerder opmerkelijke verschillen in 'gedrag' vertoonden.

Vanaf het Cambrium beginnen organismen de zeebodem veel dieper te doorwoelen dan daarvoor. Daardoor werden ook veel matten van microorganismen, die eerder grote delen van de bodem bedekten en daardoor sporen bewaarden, snel verstoord. Daarnaast ontstonden er in het Cambrium veel kleine organismen die weliswaar geen duidelijke sporen achterlieten, maar die de bovenste millimeters van de matten of van de zeebodem volledig omwoelden en veranderden in een zacht pakket; dat betekende voor andere organismen een belangrijke verandering van het leefmilieu.

Referenties:
  • Seilacher, A., Buatois, L.A. & MŠngano, M.G., 2005. Trace fossils in the Ediacaran-Cambrian transition: behavioral diversification, ecological turnover and environmental shift. Palaeogeography, Palaeoclimatology, Palaeoecology 227, p. 323-356.

Figuren welwillend ter beschikking gesteld door Luis Buatois, Department of Geological Sciences, University of Saskatchewan, Saskatoon (Canada).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl