NGV-Geonieuws 109 artikel 641

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


15 Januari 2006, jaargang 8 nr. 2 artikel 641

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 109! Op de huidige pagina is alleen artikel 641 te lezen.

<< Vorig artikel: 640 | Volgend artikel: 642 >>

641 Dinokeutels hebben opzienbarende inhoud
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over (Dino)sauriers ! Klik hier voor alle artikelen over het Milieu !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Fossiele keutels (coprolieten) van dinosauriërs die 71-65 miljoen jaar geleden in centraal India leefden, werpen een geheel nieuw licht op de ontwikkeling van het plantendek op aarde, en daarmee ook op grazers. In de coprolieten vonden onderzoekers namelijk tal van fytolieten. Dat zijn microscopisch kleine (1-150 micron) deeltjes van opaal, die ontstaan als silicium - in de vorm van een zuur - met het grondwater door een plant wordt opgezogen, en daar neerslaat in ruimten binnen en tussen de afzonderlijke cellen. Daardoor geven fytolieten een meer of minder nauwkeurig beeld van de vorm van de cel waarin of waaromheen ze zijn gevormd. Zo konden de onderzoekers vaststellen dat het bij een deel van de aangetroffen fytolieten ging om gras dat in de magen van de dino’s terecht moet zijn gekomen. Dat leidt haast onontkoombaar tot de conclusie dat gras deel uitmaakte van hun menu.


Coprolieten van titanosauriërs

Dat is opzienbarend, want de tot nu toe oudst bekende grassen dateerden van ongeveer 56 miljoen jaar geleden (grens Paleoceen/Eoceen), dus uit het Tertiair. Grassen worden algemeen beschouwd als de eerste plantensoorten die in staat waren om een dicht plantendek op een bodem te vormen, wat grote gevolgen heeft voor enerzijds de erosiesnelheid (die door een plantendek aanzienlijk wordt verminderd), anderzijds voor de verwering (bodemvorming) die erdoor wordt versneld. Daarom werd aangenomen dat in het Tertiair deze geologisch belangrijke processen zodanig veranderden dat hun invloed op het aardoppervlak wezenlijk anders werd. Nu blijkt dus dat grassen - en daarmee mogelijk ook een dicht plantendek - al in het Mesozoïcum voorkwamen. Daarbij komt dat de in de coprolieten gevonden fytolieten zo verschillend zijn, dan eruit moet worden geconcludeerd dat er al een evolutie binnen de grassen moet hebben plaatsgevonden, en dat de grassen als zodanig dus nog eerder dan 71-65 miljoen jaar geleden moeten zijn ontstaan.


Grasfytoliet (Jainium pidurensis) uit de onderzochte dinocoprolieten

De coprolieten met de grasfytolieten geven ook nieuw inzicht in de wisselwerking die planten en planteters op elkaar hebben. Hoewel de onderzochte coprolieten van de titanosauriërs aangeven dat ze ook andere planten aten, is het tegelijk duidelijk dat gras een substantieel deel moet hebben uitgemaakt van hun dagelijks menu. Dat betekent dat er uitgestrekte grasgebieden aanwezig moeten zijn geweest. Op basis van die conclusie mag worden verwacht dat zich destijds ook al andere grazers hadden ontwikkeld. Wanneer de eerste grazers ontstonden, is uiteraard nog onduidelijk, maar er waren al zoogdieren bekend van Gondwanaland die beschikten over tanden die tot nu toe niet goed begrepen werden, maar die inderdaad zouden kunnen wijzen op grazen.

Referenties:
  • Piperno, D.R. & Sues, H.D., 2005. Dinosaurs dined on gras. Science 310, p. 1126-1128.
  • Prasad, V., Strömberg, C.A.E., Alimohammadian, H. & Sahni, A., 2005. Dinosaur coprolites and the early evolution of grasses and grazers. Science 310, p. 1177-1180.

Foto’s welwillend ter beschikking gesteld door Caroline Strömberg, Departments of Palaeobotany and Palaeozoology, Swedish Museum of Natural History, Stockholm (Zweden).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl