NGV-Geonieuws 110 artikel 648

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Februari 2006, jaargang 8 nr. 3 artikel 648

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 110! Op de huidige pagina is alleen artikel 648 te lezen.

<< Vorig artikel: 647 | Volgend artikel: 649 >>

648 Modellering van de inslag bij Chesapeake Bay wijst op kleiner hemellichaam
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Astronomie ! Klik hier voor alle artikelen over Structurele geologie, (Plaat)tektoniek & Aardbevingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !


De locatie van de (begraven) inslagkrater (WP)

In het Laat-Eoceen (36-35 miljoen jaar geleden) werd de oostkust van de Verenigde Staten, in de staat Virginia, getroffen door een hemellichaam dat een grote inslagkrater veroorzaakte. Die krater ligt nu overigens begraven onder een ca. 500 m dik sedimentpakket en kan daarom alleen geofysisch en via boringen worden onderzocht. Dergelijk onderzoek heeft echter zijn beperkingen, en veel details betreffende de inslag zijn daarom nog onduidelijk. Dat betreft onder meer de grootte van de bolide, het ondiepe karakter van de cirkelvormige inslagkrater met een doorsnede van (naar aangenomen) zo’n 80-90 km2, het voorkomen van een enorm brecciepakket, en de deformatie van de ondergrond die vrijwel geheel beperkt is tot een kleinere cirkel, overeenkomend met het ‘binnenbekken’ dat door een rug gescheiden wordt van het ‘buitenbekken’ in de krater. Door modelmatig de gevolgen van de inslag te bepalen voor verschillende mogelijkheden, en de uitkomsten te vergelijken met wat er bekend is, hebben twee onderzoekers nu iets meer duidelijkheid gecreëerd.






Ontwikkeling van het gebied sinds de inslag (WP)

Bij de modellering werd uiteraard uitgegaan van wat er over de geologische omstandigheden ten tijde van de inslag bekend is. De diverse gesteentepakketten hebben immers allemaal verschillende eigenschappen, en reageren daarom anders op de inslag. De opbouw van het gebied was ruwweg als volgt: een kristallijne ondergrond met daarover 600-1000 m onverharde sedimenten, waarboven zich nog 200-500 m water bevond. Door de inslag werd een krater met een doorsnede van 80-90 km gevormd waarvan de buitenste ring bestond uit materiaal van de kristallijne ondergrond. Binnen die ring ontstond een zone van ca. 20 km breed die gevuld is met brokstukken die tot een kilometer groot zijn; hierover ligt een dikke breccie van kleinere brokstukken. Ongeveer halverwege de krater is de kristallijne ondergrond sterk opgestuwd, waardoor een soort ringvormige wal is gevormd van 50-200 m hoog. Hierbinnen ligt het hiervoor genoemde ‘binnenbekken’ met sterk vervormde sedimenten; het ‘buitenbekken’ is nauwelijks vervormd.


Dwarsdoorsnede door het gebied met de (begraven) inslagkrater (GC)







Detail van de gemodelleerde deformatie (GC)


Gemodelleerde deformatie als gevolg van de inslag, het meest overeenkomend met de werkelijke structuur (GC)


Uit de modellering blijkt dat de kratervorm sterk is beïnvloed door de diepe waterlaag waarin het hemellichaam terechtkwam. Als hetzelfde hemellichaam de vaste aarde zou hebben getroffen, zou de krater niet 80-90 km in doorsnee zijn geweest, maar ‘slechts’ zo’n 40 km. Dat impliceert ook dat bij de inslag veel minder energie moet zijn vrijgekomen dan tot nu toe werd verondersteld; het zou niettemin zijn gegaan om het equivalent van 2 miljoen ton TNT, zo’n 40.000 keer meer energie dan vrijkwam bij de eruptie in 1980 van Mount St. Helens. Het hemellichaam (nog steeds is niet bekend of het om een asteroïde of om een komeet ging), dat volgens de modellering een diameter moet hebben gehad van zo’n 3,2 km, veroorzaakte een krater die oorspronkelijk zo’n 40 km groot was. De vrijkomende energie en de daarmee samenhangende deformaties van de gesteentepakketten leiden echter daarna tot een krater met een dubbel zo grote diameter.

Referenties:
  • Collins, G.S. & Wünnemann, K., 2005. How big was the Chesapeake Bay impact? Insight from numerical modelling. Geology 33, p. 925-928.

Figuren welwillend ter beschikking gesteld door Gareth Collins (GC), Department of Earth Science and Engineering, Imperial College, Londen (Groot-Brittannië) en Wylie Poag (WP), emeritus, United States Geological Survey, Woods Hole, MA (Verenigde Staten van Amerika).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl