NGV-Geonieuws 110 artikel 649

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Februari 2006, jaargang 8 nr. 3 artikel 649

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 110! Op de huidige pagina is alleen artikel 649 te lezen.

<< Vorig artikel: 648 | Volgend artikel: 650 >>

649 Ontwikkeling van voortbewegen met poten in nieuw daglicht
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Omstreeks 364 miljoen jaar geleden veroverden op (in principe) vier poten lopende dieren het land. Deze zogeheten tetrapoden evolueerden uit de vissen; de meest aan de tetrapoden verwante bekende fossiele vis is Panderichthys. Deze soort kan daarom informatie verschaffen over de evolutie van de vinnen naar poten. Over de evolutie van borstvin naar voorpoot (met alles wat daarmee te maken heeft, zoals de ontwikkeling van een schoudergordel) was op basis van fossiele vondsten al het een en ander bekend (de borstvinnen en schoudergordel van Panderichthys zijn typisch tussenvormen tussen die van vissen en tetrapoden), maar voor de ontwikkeling van de aarsvin naar de achterpoot gold dat niet, wegens gebrek aan fossiel materiaal. Analyse van een exemplaar van Panderichthys rhomolepis dat in 1972 werd ontdekt in Letland heeft ook daarin nu meer licht gebracht.


Fossiel exemplaar van Panderichthys rhombolepis met hoofd (h), lichaam (b) en (in roodbruin) de bekkengordel en aarsvin

Juist de overgang van aarsvinnen naar achterpoten is echter van groot belang voor het inzicht in de evolutie van de voortbeweging op poten, want alle huidige tetrapoden hebben als het ware achterpootaandrijving: de achterpoten verschaffen het overgrote deel van de kracht om te lopen of te rennen. Daarom werd tot nu toe gedacht dat dit ook bij de vroegste tetrapoden het geval was. Dat blijkt nu niet het geval te zijn.


Reconstructie van Panderichthys rhombolepis op basis van (in grijs) de fossiel bewaard gebleven delen)

Uit het onderzochte exemplaar blijkt dat de aarsvinnen van Panderichthys veel kleiner waren dan zijn borstvinnen. Die borstvinnen moeten dus, bij voortbeweging op het land (of in ondiepe plassen), het grootste deel van het gewicht van het dier hebben gedragen. Het moet bij dit dier dus om ‘voorpootaandrijving’ zijn gegaan. Dat betekent overigens niet dat de achterpoten geen functie bij de voortbeweging hadden. Volgens de onderzoekster wijst het skelet in de aarsvinnen/achterpoten van Panderichthys erop dat deze vinnen/poten vooral dienden om het dier in de grond te ‘verankeren’ bij de beweging van het voorste gedeelte van het lichaam. Die voortbeweging zou dan ook te vergelijken zijn met die van sommige vissen die hun lichaam uitrekken en weer samentrekken, en tegelijk bewegingen van links naar rechts maken. Daarbij is een goede verankering van het achterlichaam zeer behulpzaam.


Reconstructie van het skelet in de aarsvin. Schaalbalk 1 cm.

Pas bij latere dieren, zoals Acantostega, werden de achterste ledematen het belangrijkste voor de voortbeweging op het land.

Referenties:
  • Boisvert, C.A., 2005. The pelvic fin and girdler of Panderichthys and the origin of tetrapod locomotion. Nature 438, p. 1145-1147.

Figuren welwillend ter beschikking gesteld door Catherine Boisvert, Department of Physiology and Developmental Biology, Uppsala University, Uppsala (Zweden).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl