NGV-Geonieuws 6 artikel 66

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 December 1999, jaargang 1 nr. 6 artikel 66

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 6! Op de huidige pagina is alleen artikel 66 te lezen.

<< Vorig artikel: 65 | Volgend artikel: 67 >>

66 Archaeopteryx kon echt vliegen
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Er zijn slechts weinig min of meer complete skeletten bekend van Archaeopteryx, de oudst bekende fossiele vogel. Op basis van die paar skeletten wordt al zoín honderd jaar heftig gediscussieerd over zijn vliegvermogen. Dat hij goed ontwikkelde vleugels had, staat buiten kijf. Maar kon hij er ook mee vliegen? Dat achtten veel deskundigen onwaarschijnlijk, omdat hij nooit van de grond zou kunnen zijn opgestegen. De bouw van zijn poten - en de daarmee samenhangende spierstructuur - leek namelijk te wijzen op een maximale loopsnelheid van zoín 2 m/s (7 km/uur), wat ongeveer een derde is van de snelheid die hij had moeten halen om van de grond los te kunnen komen.

Het is echter evolutionair gezien zeer onwaarschijnlijk dat zich vleugels zouden hebben ontwikkeld als die niet een soort vliegvermogen zouden hebben opgeleverd. Daarom meenden sommige paleontologen dat Archaeopteryx in bomen omhoog klom om vandaar omlaag te zeilen, min of meer zoals ook sommige van de huidige zoogdieren dat doen. De fossiele restanten van Archaeopteryx maken het echter - zacht uitgedrukt - hoogst twijfelachtig dat hij in een boom kon klimmen.


SKELET VAN ARCHAEOPTERYX

Het raadsel lijkt nu opgelost. Onderzoekers hebben namelijk berekend dat Archaeopteryx wel degelijk voldoende loopsnelheid kan hebben ontwikkeld om te kunnen opstijgen. Volgens de Amerikanen, die de 'start' van de vogel vanuit aŽrodynamisch oogpunt hebben geanalyseerd, kon de vogel zijn loopsnelheid voldoende opvoeren dankzij het gebruik van zijn vleugels. Door met zijn vleugels te fladderen tijdens de aanloop ontwikkelde hij zoveel extra voortstuwing dat hij de vereiste snelheid voor opstijgen kon bereiken. Bovendien leverde het gebruik van de vleugels extra liftvermogen. Dit is in wezen niet anders dan bij veel recente vogels die slechte vliegers zijn (bijv. kippen), en lijkt in veel opzichten op de wijze waarop watervogels vanuit het water opstijgen: met behulp van hun vleugelslag ontwikkelen ze voldoende liftvermogen om over het water te kunnen 'lopen', en al lopend zorgen de fladderende vleugels voor een toenemende snelheid.

De onderzoekers wijzen met nadruk op het belang van de voortstuwende kracht die de vleugelslagen moeten hebben gehad. Die is namelijk waarschijnlijk ook opgetreden bij de geveerde, maar nog niet tot de vogels gerekende, viervoetige voorlopers van de vogels, zoals Caudipterix en Protoarchaeopteryx. Nog verder terug in de tijd kwamen zelfs diverse sauriŽrs voor die, gezien de bouw van hun voorste ledematen, ook met een soort vleugels kunnen hebben gefladderd. Dat kan hebben geholpen om harder te rennen, maar heeft mogelijk ook reeds een zeker loskomen van de grond mogelijk gemaakt. De onderzoekers wagen zich (nog?) niet expliciet aan een belangrijke consequentie: het vliegvermogen van de vogels en hun directe voorgangers zou zich wel eens kunnen hebben ontwikkeld als een soort neveneffect (vanwege het liftvermogen) van fladderende vleugels die zich ontwikkelden om snellere over de grond te kunnen rennen.

Referenties:
  • Burgers, Ph. & Chiappe, L.M., 1999. The wing of Archaeopteryx as a primary thrust generator. Nature 399, p. 60-62.

N.B.: een iets afwijkende versie van dit bericht werd onder de titel 'Archaeopteryx kon wel hard rennen, dankzij vleugels' geplaatst in de bijlage 'Wetenschap & Onderwijs' van NRC Handelsblad (3 juni 1999).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl