NGV-Geonieuws 113 artikel 663

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


15 Maart 2006, jaargang 8 nr. 6 artikel 663

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 113! Op de huidige pagina is alleen artikel 663 te lezen.

<< Vorig artikel: 662 | Volgend artikel: 664 >>

663 Reuzenschedel werpt licht op evolutie van slangen
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Van slangen zijn slechts weinig fossielen bekend. Daardoor bestaat er nog veel onzekerheid over hun evolutie. De vondst van buitengewoon goed bewaard gebleven botten van twee slangen in sedimenten van zoín 25 en 20 miljoen jaar oud (Oligoceen en Mioceen) levert daarom een welkome bijdrage aan onze kennis. De vondst werd gedaan in een door de Verenigde Naties aangewezen beschermd gebied in AustraliŽ, de Riversleigh 'Heritage site'.


Schedel en onderkaak van Yurlunggur, van rechts en schuin-boven

Slangen stammen af van hagedissen, maar hoe dat precies ging is - door gebrek aan fossiel materiaal - een punt van discussie. Die discussie gaat onder meer over de vraag van welke groep hagedissen de slangen afstammen. Eťn van de theorieŽn stelt dat het moet zijn gegaan om kleine insectenetende hagedissen die, op zoek naar eten, in de grond groeven, en daarbij hun poten uiteindelijk verloren en een langgerekt lichaam ontwikkelden. Een andere theorie stelt daarentegen dat de slangen zich ontwikkelden uit betrekkelijk grote hagedissen zoals de nu in AustraliŽ voorkomende goanna.


De gevonden wervels van Yurlunggur, die in uitstekende staat verkeren

Het voortreffelijk bewaard gebleven nieuwe materiaal kan helpen aan deze controverse een einde te maken. Daarbij is van belang dat, hoewel het duidelijk gaat om de resten van een slang, er toch zeer veel gelijkenis is met hagedissen. Zo is er een duidelijk jukbeen te herkennen, dat niet meer bij recente slangen bestaat. De gevonden schedels van de slang, die gerekend wordt tot het geslacht Yurlunggur (een naam die bij de aboriginals 'regenboogslang' betekent) wijzen erop dat deze slang meer overeenkomst vertoont met de grote hagedissen dan met de kleine insecteneters. Al met al lijkt Yurlunggur een soort tussenstadium te vertegenwoordigen tussen reptielen zoals de varanen (en de mosasauriŽrs!) en de tot nu toe bekende meest primitieve slangen.


Reconstructie van Yurlunggur in het Riversleigh Fossil Centre

Yurlinggur moet een behoorlijk afschrikwekkend dier zijn geweest, met een lengte van ca. 6 m en een lichaam dat tot zoín 30 cm breed was. Fossielen van landdieren met deergelijke afmetingen zijn zeldzaam (tot nu toe waren er alleen wat losse wervels van Yurlunggur bekend). Omdat slangen prooien kunnen inslikken die groter zijn dan hun eigen hoofd, zijn hun schedels extreem flexibel. Daardoor vallen ze ook gauw uit elkaar na hun dood. De paar bekende fossiele schedels van primitieve slangen die bekend zijn, zijn bovendien door compactie allemaal afgeplat, waardoor veel karakteristieken niet precies zijn te reconstrueren. De nu gevonden fossielen zijn aan een dergelijke afplatting ontsnapt doordat de slang werd ingebed in het kalkige sediment van een meertje. Deze zoetwaterkalksteen is nog steeds onverhard en niet of nauwelijks gecompacteerd. Door de kalksteen met een zuur op te lossen kunnen de botten er onbeschadigd uit worden gehaald.

Referenties:
  • Scanlon, J.D., 2006. Skull of the large non-macrostomatan snake Yurlunggur from the Australian Oligi-Miocene. Nature 439, p. 839-842.

Fotoís welwillend ter beschikking gesteld door John Scanlon, Riversleigh Fossil Centre, Mount Isa, QLD (AustraliŽ).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl