NGV-Geonieuws 128 artikel 738

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 November 2006, jaargang 8 nr. 21 artikel 738

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 128! Op de huidige pagina is alleen artikel 738 te lezen.

<< Vorig artikel: 737 | Volgend artikel: 739 >>

738 Fossiele baleinwalvis had schrikwekkende tanden
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Walvisen kunnen worden onderverdeeld in tandwalvissen en baleinwalvissen. Het onderscheid lijkt eenvoudig, maar nu is er een fossiele walvis gevonden die alle kenmerken van een baleinwalvis heeft, maar die toch tanden had in plaats van baleinen. Deze vondst werpt een heel nieuw licht op de evolutie van de walvissen.


De schedel van Janjucetus hunderi met grote tanden en extreem
grote oogkassen (foto R. Start; Museum van Victoria)

Het nieuw ontdekte fossiel, dat in AustraliŽ werd gevonden en dat ca. 25 miljoen jaar oud is, is Janjucetus hunderi genoemd. De geslachtsnaam is afgeleid van de vindplaats (Jan Juck) en het Latijnse woord voor walvis (cetus); de soortnaam is een eerbewijs aan de vinder van het holotype, Staumn Hunder.

De schedel van Janjucetus is ongeveer 46 cm lang, waaruit kan worden afgeleid dat het dier ca. 3,5 m lang moet zijn geweest. Ondanks deze relatief geringe lengte (de blauwe vinvis, ook een baleinwalvis, kan zo'n 30 m lang worden) moet het - gezien zijn schrikwekkende - tanden die tot zo'n 3,5 cm lang waren een roofdier zijn geweest; haaien en andere vissen waren waarschijnlijk zijn voornaamste voedsel. Uit het gebit blijkt dat Janjucetus waarschijnlijk geen hele vissen naar binnen werkte, maar grote stukken vlees uit zijn prooi scheurde en die naar binnen werkte.


Reconstructie van Janjucetus hunderi

De vondst van dit merkwaardige dier geeft aan dat de eerste baleinwalvissen verrassend sterk verschilden van hun huidige nazaten, zowel in voorkomen als in leefwijze. Kennelijk zijn er binnen de walvissen eerst verschillen opgetreden tussen de twee groepen die nu tand- en baleinwalvissen vormen, maar zonder dat baleinen al tot ontwikkeling waren gekomen. De groep van de baleinwalvissen (Mysticeti) moeten dus pas nu hun afscheiding van de tandwalvissen hun eetpatroon hebben aangepast (ze eten nu voornamelijk plankton), waarvoor de ontwikkeling van baleinen gunstig was.

Er hebben bij de baleinwalvissen ook nog andere bijzondere evolutionaire ontwikkelingen plaatsgevonden. Zo had Janjucetus extreem grote ogen in verhouding tot zijn lichaam, wat er op wijst dat hij onder water een zeer goed gezichtsvermogen heeft gehad, wat uiteraard weer nuttig was bij de jacht. De ogen van de huidige baleinwalvissen zijn verhoudingsgewijs veel kleiner; bij het vergaren van hun voedsel (plankton) hebben ze ook geen bijzonder ontwikkeld gezichtsvermogen meer nodig. Uit de schedel blijkt verder dat het dier geen ultrasone geluiden kon voortbrengen, zoals sommige dolfijnen en walvissen nu wel kunnen.

Referenties:
  • Fitzgerald, E.M.G., 2006. A bizarre new toothed mysticete (Cetacea) from Australia and the early evolution of baleen whales. Proceedings of the Royal Society B, doi:10.1098/rspb.2006.3664, 9 pp.

Foto's welwillend ter beschikking gesteld door Erich Fitzgerald, School of Geosciences, Monash University, Clayton (AustraliŽ).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl