NGV-Geonieuws 132 artikel 758

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Januari 2007, jaargang 9 nr. 1 artikel 758

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 132! Op de huidige pagina is alleen artikel 758 te lezen.

<< Vorig artikel: 757 | Volgend artikel: 759 >>

758 Vroegste bij had nog kenmerken van wesp
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

In barnsteen van ongeveer 100 miljoen jaar oud (Vroeg-Krijt) is een insect aangetroffen dat door de onderzoekers is gekenmerkt als een bij. Daarmee gaat de geschiedenis van de bijen 35-45 miljoen jaar verder terug dan uit eerdere vondsten viel op te maken. Het gaat dan ook om een primitieve vorm, die bovendien veel gemeen heeft met wespen. Een en ander sluit overigens perfect aan bij al bestaande hypotheses over het ontstaan van bijen en wespen. Dergelijke hypothese stellen onder meer dat de - van bloempollen afhankelijke - bijen afstammen van vleesetende wespen.


De in barnsteen gevangen bij (buikaanzicht)

Het stuk barnsteen met de bij is afkomstig uit een mijn in het noorden van Birma. De bij, waarvoor een nieuwe familie (Melittosphecidae) in het leven is geroepen, heeft de naam Melittosphex burmensis gekregen. Hij is ongeveer 3 mm groot (klein in vergelijking met de meeste recente bijen, hoewel er ook nu soorten voorkomen van gelijke grootte), wat aansluit bij de recente kennis omtrent de vroegste bloemen: die dateren ook uit het Vroeg-Krijt en die waren ook klein (de eerdere landvegetatie werd gedomineerd door coniferen, waarvan het zaad door de wind werd verspreid).

De onderzoekers beschouwen het fossiel als een bij omdat het enkele voor deze diergroep karakteristieke kenmerken vertoont. Wellicht het belangrijkste hierbij is dat op alle ongeschonden onderdelen van kop, borststuk, achterlijf en poten vertakte, pluimachtige haren zitten. De pollen van bloemen die door bijen worden bezocht om daar de nectar uit te zuigen, hechten zich aan deze haren vast, en kunnen zo van bloem tot bloem worden verspreid, waardoor bevruchting van bloeiende planten plaatsvindt. Op de kop zitten twee antennes.


Reconstructie van de bij

Er zijn echter ook kenmerken die meer op die van een wesp lijken. Dat betreft onder meer de dunne achterpoten, maar wellicht nog opvallender is het ingesnoerde lijf: het is weliswaar geen echte wespentaille, maar het middendeel is duidelijk dunner dan bij bijen gebruikelijk is. Het samengaan van bijen- en wespenkarakteristieken wijst erop dat het gaat om een soort die evolutionair nog dicht staat bij de afscheiding van de bijen.

Referenties:
  • Poinar Jr., G.O. & Danforth, B.N., 2006. A fossil bee from Early Cretaceous Burmese amber. Science 314, p. 614.

Foto's welwillend ter beschikking gesteld door Bryan Danforth, Department of Entomology, Cornell University, Ithaca, NY (Verenigde Staten van Amerika).


Copyright NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl