NGV-Geonieuws 132 artikel 761

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


14 Januari 2007, jaargang 9 nr. 1 artikel 761

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 132! Op de huidige pagina is alleen artikel 761 te lezen.

<< Vorig artikel: 760 | Volgend artikel: 762 >>

761 Microorganismen van 220 miljoen jaar oud identiek aan recente vormen
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Barnsteen mag dan wel geliefd zijn als onderdeel van sieraden, maar voor geologen is het vooral een bron van informatie. In de kleverige hars waaruit barnsteen is ontstaan, zijn immers tal van organismen (zelfs reptielen) gevangen geraakt en zo goed bewaard gebleven dat ze een schat aan informatie geven over de vroegere flora en fauna. Uiteraard zijn de meeste in hars gevangen plantendelen (o.a. sporen en pollen) en dieren klein. Zo komen microorganismen in zo grote getale in barnsteen voor dat er vaak een goed beeld van de toenmalige microwereld uit kan worden verkregen. Vondsten van meer dan 135 miljoen jaar oud zijn echter schaars, zodat van de oudere 'microwereld' weinig bekend is.


Druppelvormig stukje barnsteen (3 mm) met
microben uit het Italiaanse Trias (foto Guido Roghi)

Daarin is nu verandering gekomen na onderzoek van barnsteenstukjes die nog de vorm hebben van een harsdruppel, en die vaak niet veel groter zijn dan een paar millimeter. De onderzochte 'barnsteendruppels' zijn afkomstig uit de omgeving van Cortina díAmpezzo in de Dolomieten, en zijn circa 220 miljoen jaar oud. Onderzoekers hebben in die barnsteen tal van microorganismen aangetroffen, en de vondst is uit evolutionair oogpunt gezien buitengewoon interessant.


De amoebe Centropyxis hirsuta (schaalstreep 10 micron) (foto Alexander R. Schmidt)


Alg (30,4 micron lang) uit de barnsteen,
gelijk aan het recente geslacht Cosmarium
(foto Guido Roghi)


De aangetroffen microorganismen betreffen vooral bacteriŽn, schimmels, algen en protozoŽn (amoeben). Dat is op zich niet verbazingwekkend. Wel verbazingwekkend is echter het feit dat veel van deze organismen een zo grote gelijkenis vertonen met huidige organismen, dat ze tot op het niveau van geslacht of zelfs soort kunnen worden gedetermineerd. Je zou daarom met recht kunnen zeggen dat de huidige soorten, die overeenkomen met de microorganismen die in het Trias leefden - en dus tijdgenoten waren van de vroege dinosauriŽrs - als levende fossielen kunnen worden beschouwd.


Schimmel uit de barnsteen, gelijk aan het
recente geslacht Ramularia. De grootste
sporen zijn 5x 4 micron (foto Guido Roghi)


Amoebe (in stadium van celdeling),
gelijk aan het recente geslacht Difflugia.
De moedercel (boven) is 25 micron lang
(foto Alexander R. Schmidt)


Uit de grote overeenkomst tussen de fossiele en de recente vormen kan worden afgeleid dat de desbetreffende taxa geen evolutionaire ontwikkeling hebben doorgemaakt. Dat valt alleen te verklaren als het milieu waarin deze microben leefden ook 220 miljoen jaar (en wellicht nog langer) niet significant veranderd is. Het is daarom van belang dat de onderzoekers ook hebben uitgezocht waar de hars vandaan komt. Ze komen tot de conclusie dat de barnsteen afkomstig moet zijn van een oude familie van coniferen (de Cheirolerpidiaceae). Die naaldbomen groeiden langs de noordelijke oever van de toenmalige Tethyszee (waarvan de huidige Middellandse Zee als een laatste restant kan worden beschouwd), in een vochtige kuststreek. De harsdruppels moeten al op hun moederboom zijn verhard, en pas later op de grond zijn gevallen. Dat maken de onderzoekers op uit de goed bewaarde druppelvorm, en uit het ontbreken in de barnsteen van microorganismen die op de bodem leefden: het gaat in alle gevallen om organismen die op planten leefden. Vergelijking met hun recente verwanten wijst erop dat ze waarschijnlijk op en vochtige boombast of in kleine, met water gevulde depressies in bomen leefden. Dit micromilieu is kennelijk nu nog steeds zoals in het Trias.

Referenties:
  • Schmidt, A.R., Ragazzi, E., Coppellotti, O. & Roghi, G., 2006. A microworld in Triassic amber. Nature 444, p. 835.

Fotoís (© Nature, 14-12-20006) welwillend ter beschikking gesteld door Alexander Schmidt, Museum fŁr Naturkunde, Humboldt-Universitšt, Berlijn (Duitsland).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl