NGV-Geonieuws 133 artikel 774

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Februari 2007, jaargang 9 nr. 2 artikel 774

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 133! Op de huidige pagina is alleen artikel 774 te lezen.

<< Vorig artikel: 773 | Volgend artikel: 775 >>

774 Megafauna in AustraliŽ ging niet ten onder door klimaatverandering
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over (Paleo)Klimaat ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Het is nog slechts zoín 10.000 jaar geleden dat op tal van continenten een fauna van grote zoogdieren aanwezig was, met soorten die al vroeg in het Holoceen uitstierven. Een heet hangijzer daarbij is de vraag of het uitsterven werd veroorzaakt doordat de grote zoogdieren zich onvoldoende konden aanpassen aan het nieuwe leefmilieu dat door de stijgende temperatuur na de laatste ijstijd ontstond, of dat de mens daarvoor verantwoordelijk was. Voor Noord-Amerika zijn er voor beide hypotheses aanwijzingen (zie Geonieuws 355 en 704); in AustraliŽ leek daarentegen de mens een doorslaggevende rol te hebben gespeeld (zie ook Geonieuws 174). Dat laatste lijkt bevestigd te worden door nieuw onderzoek, waaruit blijkt dat de Australische grote zoogdieren ook al eerder (50.000-40.000 jaar geleden) weinig gevolgen ondervonden van het veranderende klimaat.


Gavin Prideaux legt de schedel bloot van de uitgestorven kangoeroesoort
Sthenurus andersoni in de Leaenaís Breath Grot (foto Clay Bryce).

De nieuwe gegevens zijn afkomstig van paleontologisch onderzoek aan de restanten van megafauna (van 1,8 miljoen tot 10.000 jaar geleden) in de Naracoorte Grotten in zuidoost-AustraliŽ. Uit dat onderzoek komt naar voren dat de megafauna niet wezenlijk veranderde gedurende klimaatswisselingen die in het laatste halfmiljoen jaar plaatsvonden, d.w.z. gedurende de drie laatste ijstijden en de laatste twee interglacialen. Daarbij moet overigens wel worden aangetekend dat de temperatuurverschillen tussen glacialen en interglacialen in AustraliŽ veel minder groot waren dan in bijv. Noord-Amerika (de verschillen tussen glacialen en interglacialen uitten zich in AustraliŽ vooral door verschillen in neerslag), en dat de Australische bevindingen dus niet per definitie hoeven op te gaan voor andere continenten.


De schedel van een andere uitgestorven
kangoeroe, Simosthenurus occidentalis,
van 270.000 jaar oud in the Cathedral Grot
(foto Gavin Prideaux).


De ontdekking in de Flightstar Grot van het
skelet van deze Ďbuidelleeuwí, Thylaceo
carnifex
, was aanleiding voor het onderzoek
(foto Clay Bryce).


De klimaatwisselingen van de laatste 500.000 jaar, met onder meer een zeer droog interval van 270.000-220.000 jaar geleden, blijken nauwelijks van invloed te zijn geweest op de megafauna. Daaruit moet worden afgeleid dat ze daartegen goed bestand waren. Het is daarom des te opvallender dat in de tweede helft van de laatste ijstijd een groot aantal van deze dieren binnen korte tijd uitstierf; zoín 90% van de megafauna was omstreeks 45.000 jaar geleden verdwenen, d.w.z. binnen zoín 5.000 jaar na de aankomst van de mens. Tot de uitgestorven soorten behoorden buideldieren ter grootte van een neushoorn, en een kangoeroe van 3 m hoog. In totaal werden in het grottencomplex van 62 soorten niet-vliegende zoogdieren gevonden. Deze dieren leefden overigens niet in de grotten zelf, maar moeten daarin gevallen zijn via karstgaten in de kalksteen, terwijl sommige restanten mogelijk prooi vertegenwoordigen van vogels (waarschijnlijk uilen) die de grot bewoonden.


De opgegraven schedel van Sthenurus andersoni
(foto Lindsay Hatcher)


Het huidige landschap van de Nullabor Vlakte
(foto Clay Bryce)


Uit het onderzoek blijkt dat het klimaat weliswaar van invloed was op de verhouding tussen de diverse diersoorten waarvan de restanten in de Naracoorte Grotten werden aangetroffen. (Zo blijkt dat de grootste dieren het vooral goed deden tijdens de nattere perioden), maar van uitsterven bij klimaatveranderingen was geen sprake, zelfs niet tijdens de droogste perioden. Om dat te kunnen vaststellen, werd gebruik gemaakt van twee soorten dateringen, nl. OSL (optically stimulated luminescence) en radiometrisch (U/Pb).

Referenties:
  • Prideaux, G.J., Long, J.A., Ayliffe, L.K., Hellstrom, J.C., Pillans, B., Boles, W.E., Hutchinson, M.N., Roberts, R.G., Cupper, M.L., Arnold, L.J., Devine, P.D. & Warburon, N.M., 2007. An arid-adapted middle Pleistocene vertebrate fauna from south-central Australia. Nature 445, p. 422-425.
  • Prideaux, G.J., Roberts, R.G., Megirian, D., Westaway, K.E., Hellstrom, J.C. & Olley, J.M., 2007. Mammalian responses to Pleistocene climate change in southeastern Australia. Geology 35, p. 33-36.

Fotoís welwillend ter beschikking gesteld door Gavin Prideaux, Department of Earth and Planetary Sciences, Western Australian Museum, Perth (AustraliŽ).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl