NGV-Geonieuws 137 artikel 811

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Juni 2007, jaargang 9 nr. 6 artikel 811

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 137! Op de huidige pagina is alleen artikel 811 te lezen.

<< Vorig artikel: 810 | Volgend artikel: 812 >>

811 Rekolonisatie door planten na vulkaanuitbarsting palynologisch vastgelegd
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over het Milieu ! Klik hier voor alle artikelen over Vulkanologie !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Bij een vulkaanuitbarsting verdwijnt de oorspronkelijke vegetatie in een groter of kleiner gebied door bedekking met lava of as, of als gevolg van branden die door de uitbarsting worden veroorzaakt. De vulkanische gesteenten leveren vruchtbare bodems op, waardoor na kortere of langere tijd, afhankelijk van de aard van het gesteente, weer planten kunnen terugkeren. Hoe dat in zijn werk gaat, is het onderwerp van veel biologisch onderzoek, maar dat duurt nog te kort om de ontwikkeling van de rekolonisatie op langere termijn te kunnen overzien. Palynologisch onderzoek in Duitsland naar de rekolonisatie die plaatsvond na een uitbarsting in het Midden-Eoceen, geeft daarvan echter een gedetailleerd beeld.


Het maar bij Messel

In het kader van een project van het Forschungsinstitut (Onderzoeksinstituut) Senckenberg in Frankfurt hebben onderzoekers een boring uitgevoerd in een van de bekende maren (door een vulkanische explosie ontstane meren), bij Messel (nabij Darmstadt). Daarbij is de volledige opeenvolging van het maar (dat in het Midden-Eoceen werd gevormd) doorboord en gemonsterd. Het doorboorde traject omvat onder meer 90 m van klastische meerafzettingen van de Onder-Messel-Formatie en 140 m van de daaropvolgende olieschalies van de Midden-Messel-Formatie. Deze sedimenten konden palynologisch worden onderzocht, waarbij de gebruikte technieken het mogelijk maakten om kleine tijdsintervallen van elkaar te onderscheiden. Daaruit blijkt dat het klastische pakket de zogeheten 'Meer-fase' (na de vulkanische uitbarsting) vertegenwoordigt. De pollen en sporen uit deze fase laten zien hoe uiteenlopende plantensoorten het gebied weer binnendrongen en zich er vestigden nadat de oorspronkelijke vegetatie door de uitbarsting was verdwenen. Binnen deze Eerste Meer-fase kunnen weer een vroeg en een laat interval worden onderscheiden. De aard van de teruggekeerde vegetatie veranderde niet sterk gedurende de Eerste Meer-fase, maar nam wel in omvang toe. Op de grens met de Midden-Messel-Formatie was het gebied weer geheel met planten begroeid.


Spore van
Ischyosporites tertiarius,
een van de pioniervarens


Spore van
Leiotriletes maxoides,
eveneens een van de pioniervarens


Pollen van
Milfordia minima,
een pionier van de Restionaceae


De rekolonisatie was een complexe gebeurtenis, omdat - in tegenstelling tot de situatie voor de vulkanische uitbarsting - sterk uiteenlopende
Milieus waren gevormd, zoals de oevers van het ontstane meer, de kraterwal en de tufafzettingen. De ontwikkeling van de rekolonisatie werd voor alle afzonderlijke milieus palynologisch gereconstrueerd. In het eerste begin werden alleen nog pollen en sporen uit de dichtstbijzijnde bewaard gebleven vegetaties in het meer gewaaid. Daarna is er echter al spoedig sprake van het toenemen van pollen en sporen van pioniervegetatie, die in stappen van aard verandert. Aanvankelijk ging het daarbij vooral om varens. De grassen die nu vaak de varens opvolgen, waren in het Midden-Eoceen nog schaars, en hun rol werd bij Messel overgenomen door Restionaceae (een familie van de commelinaachtigen), die waarschijnlijk vooral op de kraterwal groeiden. Daarna volgden al snel diverse kruiden, heesters en later ook houtige planten, in het bijzonder angiospermen (onder meer sommige brandnetels), in een vaste opeenvolging die vaak werd verstoord door gedeeltelijk afstortende hellingen. Toen die hellingen, door afvlakking en begroeiing, meer stabiel waren geworden, kon de vegetatie weer een optimum en een stabiele samenstelling bereiken met onder meer Juglandaceae (okkernootachtigen).


Pollen van Platycaryapollenites platycaryoides,
een van de okkernootachtigen die de nieuwe,
stabiele vegetatie vertegenwoordigt


Pollen van Plicatopollis plicatus,
eveneens een van de okkernootachtigen
die de nieuwe, stabiele vegetatie vertegenwoordigt


Referenties:
  • Lenz, O.K., Wilde, V. & Riegel, W., 2007. Recolonization of a Middle Eocene volcanic site: quatitative palynology of the initial phase of the maar lake of Messel (Germany). Review of Palaeobotany and Palynology 145, p. 217-242.

Foto's welwillend ter beschikking gesteld door Olaf Lenz, Geowissenschaftliches Zentrum der Universität Göttingen, Abteilung Geobiologie, Göttingen (Duitsland).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl