NGV-Geonieuws 137 artikel 816

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


17 Juni 2007, jaargang 9 nr. 6 artikel 816

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 137! Op de huidige pagina is alleen artikel 816 te lezen.

<< Vorig artikel: 815 | Volgend artikel: 817 >>

816 Carbonisch moerasbos van 10 km2 ontdekt
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over het Milieu ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Paleontologen van het Smithsonian National Museum of Natural History, de Universiteit van Bristol en de Geologische Dienst van Illinois hebben de restanten ontdekt van een van de oudst bekende tropische regenwouden. Het gaat om een moerasbos uit het Carboon, dat ze vonden in het dak van galerijen in twee steenkoolmijnen op een diepte van een kleine 100 m. Alles bij elkaar moet het bos zeker 10 km2 groot zijn geweest; daarmee is het, voor zover bekend, het grootst bekende fossiele bos.


Galerij in de mijn met het fossiele bos in het dak,
waaruit enkele stammen omlaag zijn gevallen


Deel van een gigantische omgevallen boom in het dak
van een galerij

Het bos bevat vooral bomen die tot de lycopsiden behoren (Stigmaria is daarvan een bekend voorbeeld) en boomhoge varens, met een ondergroei van paardestaarten, zaadvarens en Cordaites-achtige planten (zaadplanten die verwant zijn aan coniferen). Deze ondergroei beperkte zich voornamelijk tot de wat drogere plaatsen.


Uit het dak van de galerij steekt een stuk
van een nog rechtopstaande boomstronk


Deel van het blad van de bekende
zaadvaren Pecopteris


Het bos kon fossiliseren doordat het desbetreffende gebied bij een aardbeving enkele meters zakte, waardoor het overstroomd raakte door een nabijgelegen rivier. Onder water was er onvoldoende zuurstof aanwezig om het bos te laten verrotten voordat het met een luchtafsluitend sliblaagje was bedekt. Deze sliblaag (die inmiddels versteend is tot schalie) bouwde zich slechts langzaam op. Daarom zijn de voornamelijk nog rechtopstaande bomen slechts bewaard gebleven wat hun wortelstelsel en tronken betreft; er zijn echter ook enkele omgevallen bomen bewaard gebleven. Die laten duidelijk zien hoe groot de bomen waren: tot zo'n 2 m in doorsnede en 40 m hoog.

Onder de hoge toppen groeiden de boomvarens, die tot ca. 10 m hoog werden. Tussen deze boomvarens worstelden zich wolfsklauwen zich nog veel verder omhoog. Dit waren op asperges lijkende planten met een soort kronen die vol zaten met sporen. Het moet een weelderig bos zijn geweest. Omdat het gebied destijds nabij de evenaar lag, kan het dus als een tropisch regenwoud worden bestempeld, maar dan wel voor een groot deel in een moerassige omgeving. In dit bos waren tal van insecten aanwezig, liepen bijna 2 m lange duizendpoten, en vlogen libellen met een spanwijdte van een meter.


Reconstructie van het moerasbos (door Mary Parrish)

Omdat het bos over zo'n groot gebied is terug te vinden, konden de onderzoekers ook vaststellen dat er van plaats tot plaats kleine verschillen in het ecosysteem bestonden, die nu weerspiegeld worden door subtiele verschillen in de vegetatie. Dit ecologisch aspect hopen de onderzoekers nog te kunnen uitbreiden. Ze zijn daartoe momenteel op zoek naar hetzelfde niveau in andere kolenmijnen in Illinois.

Referenties:
  • DiMichele, W.A., Falcon-Lang, H.J., Nelson, W.J., Elrich, S.D. & Ames, Ph.R., 2007. Ecological gradients within a Pennsylvanian mire forest. Geology 35, p. 415-418.

Illustraties: Smithsonian National Museum of Natural History, Washington D.C. (Verenigde Staten van Amerika).


Copyright NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl