NGV-Geonieuws 148 artikel 930

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


28 Mei 2008, jaargang 10 nr. 5 artikel 930

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 148! Op de huidige pagina is alleen artikel 930 te lezen.

<< Vorig artikel: 929 | Volgend artikel: 931 >>

930 Extreem lange groeven op (oude) onderzeese helling
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Sedimentologie !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

In gesteenten van de grens tussen Precambrium en Cambrium in India komen groeven voor die tot zowel de langste als de breedste in hun soort moeten worden gerekend. Groeven worden veroorzaakt wanneer een hard voorwerp over een harde of zachte ondergrond beweegt. Een bekend voorbeeld zijn de groeven (striae) die aan de onderkant van een gletsjer meegevoerde stenen uitschuren in het onderliggende gesteentemateriaal; ook stenen die in het gletsjerijs zelf tegen elkaar bewegen kunnen dergelijke kenmerkende striae vertonen.


De locatie bij Udaipur waar de structuren werden gevonden

In het geval van de groeven die in de Phe Formatie bij Udaipur worden gevonden, kan het echter niet om dergelijke groeven gaan. De geologische context wijst uit dat er sprake moet zijn geweest van een modderstroom die onderzees van een helling afstroomde. Dat die modderstroom groeven kon uitschuren, moet worden geweten aan stenen of gedeeltelijk gelithificeerde brokstukken van de helling zelf die door de modderstroom werden meegevoerd. Vanwege hun gewicht werden ze direct over de bodem vervoerd, waarbij ze de groeven uitschuurden. Direct bewijs daarvoor hebben de onderzoekers niet, maar uit andere locaties zijn vergelijkbare (maar veel kleinere) groeven bekend uit gesteenten die onder vergelijkbare omstandigheden werden gevormd; in enkele schaarse gevallen werd aan het eind van die groeven nog het materiaal gevonden dat voor de vorming van de groeven verantwoordelijk moet zijn geweest.


Ook zogeheten flute casts, veroorzaakt door kleine draaikolkjes zijn in grote aantallen aanwezig

De groeven (veelal aangeduid met de Engelse term 'groove castsí) in de Phe Formatie zijn uitzonderlijk groot: ze zijn tot 4 m breed, 20 cm diep en 35 m lang (en de oorspronkelijke groeven moeten nog langer zijn geweest). Ze lopen volstrekt recht, wat er op wijst dat de modderstroom een exact rechte weg omlaag moet hebben gevolgd. Dat kan alleen wanneer er sprake was van een duidelijke hellingshoek. Bij een relatief steile helling kan de snelheid van een onderzeese modderstroom aanzienlijk worden, en de erosieve kracht ook. Dat verklaart waarom grote, harde voorwerpen konden worden meegesleurd. Die voorwerpen moeten haast wel steenbrokken zijn geweest, want ten tijde van de modderstroom waren er nog nauwelijks of geen organismen (planten of dieren) van enige afmeting die over harde bestanddelen beschikten.


De langgerekte groeven lopen exact evenwijdig aan elkaar

De grote snelheid waarmee de modderstroom zich verplaatste, leidde tot een turbulente massa waarin zich boven de bodem kleine draaikolkjes ontwikkelden. Die schuurden holletjes in de modderige bodem uit, maar door de snelheid van de modderstroom werden ook de draaikolkjes over de bodem verplaatst. Dat leidde tot karakteristieke structuren die als flute casts bekend staan. Zowel deze flute casts als de groove casts zijn als een soort uitstulpingen aan de onderzijde van talrijke lagen in de formatie te vinden.


De groeven hebben enorme afmetingen

Een interessante bijkomstigheid van de structuren is dat uit de flute casts de hellingsrichting kan worden afgeleid. Die was naar het noorden, wat betekent dat materiaal vanuit het zuiden werd aangevoerd. Dat is precies tegengesteld aan wat eerder voor de herkomst van sedimenten in dit gebied werd aangenomen.

Referenties:
  • Draganits, E., Schlaf, J., Grasemann, B., Argles, T., 2008. Giant submarine landslide grooves in the Neoproterozoic-Lower Cambrian Phe Formation, northwest Himalaya: mechanisms of formation and palaeogeographic implications. Sedimentary Geology 205, p. 126-141.

Foto's uit het aangehaalde artikel.


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl