NGV-Geonieuws 149 artikel 931

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Juni 2008, jaargang 10 nr. 6 artikel 931

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 149! Op de huidige pagina is alleen artikel 931 te lezen.

<< Vorig artikel: 930 | Volgend artikel: 932 >>

931 Mammoet at ondermeer mest
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over (Paleo)Klimaat ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

In 2002 werden de kop, de voorpoten en delen van de maag en het darmkanaal van een mammoet (Mammuthus primigenius) gevonden in de permafrost aan de rand van een hoefijzermeer in het noorden van Yakutia (SiberiŽ). Uit 14C-dateringen blijkt dat het dier ongeveer 22.500 jaar geleden moet hebben geleefd. Zijn woongebied was toen vrij van een bedekking door landijs, maar er heerste wel een koud klimaat.


De mest waaruit de resten van een grote
variatie aan planten afkomstig waren


Restanten van wilgenbladeren


In de dikke darm werd verteerd voedsel aangetroffen in de vorm van mest. De plantenresten werden met diverse technieken onderzocht om inzicht te krijgen in het dieet van het dier, het seizoen waarin het overleed, en het milieu waarin hij rondzwierf. Uit de mest werd een grote variŽteit aan plantenresten geÔsoleerd, die voor een groot deel nog konden worden gedetermineerd. Het gaat onder meer om blaadjes, twijgen en mos; van de planten waren niet alleen de microscopisch kleine vertegenwoordigers zoals stuifmeel en sporen aanwezig, maar ook iets grotere onderdelen zoals zaden en vruchtlichamen van schimmels.


Het pollen van een composiet (Asteraceae)

Een en ander betekent uiteraard niet dat mammoeten hun maal voor het uitkiezen hadden. In de restanten van de mestbal werden vooral zegge en grassen gevonden, aangevuld met een aanzienlijke hoeveelheid twijgen van een kleine wilgensoort die in het heersende klimaat kon overleven, en daarnaast nog een grote verscheidenheid aan allerlei kruiden en mossen. Dit bevestigt het al eerder ontstane idee dat mammoeten grazers waren.


het zaad van de ganzerik (Potentilla)


Een plukje mos (Entodon concinnus)


De samenstelling van de planten en de karakteristieken van de jaarringen in de wilgentwijgen wijzen erop dat het dier in de vroege lente moet zijn overleden. Opvallend is dat resten van de els, de berk en de spar ontbreken; ze zijn wel gevonden in de uitwerpselen van diverse andere mammoeten. Dat ze bij deze mammoet uit Yakutia ontbreken is een bewijs dat het leefgebied een boomloze steppe moet zijn geweest; het klimaat was kennelijk te koud voor de vestiging van bomen.


SporangiŽn van mos

In de mest uit de dikke darm werden ook de vruchtlichamen aangetroffen van een schimmelsoort die van uitwerpselen leeft; de sporen van dergelijke schimmels ontwikkelen zich niet in de ingewanden, maar komen pas tot kieming als de mest buiten het lichaam terechtgekomen is. De aanwezigheid van de vruchtlichamen van mestschimmels in het darmkanaal kan daarom alleen worden verklaard als de mammoet (ondermeer) mest heeft gegeten. Ook chemisch onderzoek heeft uitgewezen er mammoetmest werd geconsumeerd.

Referenties:
  • van Geel, B., Aptroot, A., Baittinger, C., Birks, H.D., Bull, I.D., Cross, H.B., Evershed, R.P., Gravendeel, B., Kompanje, E.J.O., Kuperus, P., Mol, D., Nierop, K.G.J., Pals, J.P., Tikhonov, A.N., van Reenen, G. & van Tienderen, P.H., 2008. The ecological implications of a Yakutian mammoth's last meal. Quaternary Research 69, p. 361-376. Website van het tijdschrift: www.elsevier.com/wps/find/journaldescription.cws_home/622937/description

Foto's welwillend ter beschikking gesteld door Bas van Geel en Jan van Arkel, Universiteit van Amsterdam.


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl