NGV-Geonieuws 150 artikel 950

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


25 Juli 2008, jaargang 10 nr. 7 artikel 950

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 150! Op de huidige pagina is alleen artikel 950 te lezen.

<< Vorig artikel: 949 | Volgend artikel: 951 >>

950 Temperatuur minder belangrijk dan sneeuwval voor hoogte van ijskap op Antarctica
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Glaciologie ! Klik hier voor alle artikelen over (Paleo)Klimaat !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Over eventuele veranderingen in de dikte van de ijskap op Antarctica doen sterk uiteenlopende verhalen de ronde. De meest gehoorde opvatting is dat de ijsmassa op Antarctica afneemt als gevolg van een doorgaande temperatuurstijging. Daarbij gaat het overigens niet in de eerste plaats om afsmelting of sublimatie van het sneeuwdek (het veranderen van sneeuw in waterdamp zonder vloeibare tussenfase), maar vooral om de toegenomen stroomsnelheid van gletsjers in het westelijke deel van Antarctica.

Dat de 'ijsrivieren’ op West-Antarctica sneller zijn gaan stromen, staat niet ter discussie. Dat leidt tot een aanzienlijke daling van het ijsoppervlak tot ver in het binnenland. Met satellietwaarnemingen is dat goed vast te stellen, maar echt nauwkeurig geven die waarnemingen niet aan wat er werkelijk aan de hand is, want de daling van het ijsoppervlak wordt voor een deel onzichtbaar gemaakt doordat er in de laatste jaren meer dan gemiddeld sneeuw is gevallen. Deze sneeuw heeft een driemaal zo geringe dichtheid als ijs, wat betekent dat het massaverlies als gevolg van de snellere stroming van de ijsrivieren groter is dan uit de satellietwaarnemingen kan worden opgemaakt.


Kabels leggen voor de meetapparatuur (bij een eerder onderzoek op Groenland)

Het sneeuwpakket dat op de Antarctische ijskap ligt is 50-100 m dik. Onder invloed van zijn eigen gewicht wordt de sneeuw naar onderen toe steeds compacter, waardoor een langzame overgang tussen sneeuw en ijs ontstaat. De tussenvorm tussen deze wordt aangeduid met de term 'firn’, en de dikte en dichtheid van deze firn is door de onderzoekers bepaald met behulp van een meteorologisch model dat werd aangepast om de Antarctische omstandigheden te simuleren. Uit dat onderzoek bleek dat variaties in de temperatuur relatief weinig invloed hebben op de dikte van de firn, maar dat afwijkingen van de gemiddelde hoeveelheid sneeuwval per jaar daar juist belangrijk voor zijn.


Onderzoeksleider Michiel Hensen

Voor het onderzoek werden weergegevens gebruikt die door het KNMI werden aangeleverd. Die gegevens gaan terug tot 1980. Hoewel de gegevens dus een periode van ruim 25 jaar beslaan, konden ze niet allemaal in gelijke mate worden gebruikt, want de satellietwaarnemingen op basis waarvan de veranderingen in het ijsoppervlak worden bepaald (en nu dus gecorrigeerd met het door de onderzoekers ontwikkelde model) gaan maar zo’n 15 jaar terug. Niettemin konden de onderzoekers concluderen dat de hoeveelheid sneeuw in de laatste jaren, die duidelijk boven het meerjarig gemiddelde ligt, op Oost-Antarctica bijdraagt aan de verhoging van het ijsoppervlak op oostelijk Antarctica zoals satellietwaarnemingen dat aangeven, terwijl in West-Antarctica de geringere sneeuwval juist bijdraagt aan een overschatting (op basis van satellietwaarnemingen) van de daling van het ijsoppervlak.

Referenties:
  • Helsen, M.M., Broeke, M.R. van de, Wal, R.S.W. van de, Berg, W.J. van de, Meijgaard, E. van, Davis, C.H., Li, Y. & Goodwin, I., 2008. Elevation changes in Antarctica mainly determined by accumulation variability. Science 320, p. 1626-1628.
  • Cuffey, K.M., 2008. A matter of firn. Science 321, p. 1596-1597.


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl