NGV-Geonieuws 151 artikel 959

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


22 Augustus 2008, jaargang 10 nr. 8 artikel 959

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 151! Op de huidige pagina is alleen artikel 959 te lezen.

<< Vorig artikel: 958 | Volgend artikel: 960 >>

959 Gifslangen hadden oorspronkelijk giftand achterin de bek
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Niet alle slangen zijn giftig, en de gifslangen hebben giftanden op uiteenlopende plaatsen: voorin de bek, achterin de bek, of zowel voorin als achterin de bek. Dat hangt samen met de evolutionaire ontwikkeling, maar hoe die precies is verlopen is al van oudsher een omstreden onderwerp. Leidse onderzoekers onder leiding van Freek Vonk hebben daarin nu helderheid gebracht.


Onderzoeker Freek Vonk met een koningscobra

Veel evolutiebiologen nemen aan dat slangen met giftanden voorin de bek andere oorsprongen hebben dan slangen achterin de bek, maar dat zou betekenen dat de giftanden bij beide groepen onafhankelijk van elkaar zouden zijn ontstaan; dan lijkt weinig aannemelijk. De positie van de giftanden zegt bovendien niet alles, want de cobra's en de adders staan in de stamboom van de slangen ver van elkaar af, terwijl ze toch beide de giftanden voorin de bek hebben.


De giftanden van een springende adder (Atropoides nummifer)
(foto Sumardi Moentiah).

Het onderzoek van de Leidse biologen wijst nu uit dat alle gifslangen afstammen van een oerslang die de giftanden achterin zijn bek had. Deze conclusie trekken Vonk en zijn medeauteurs op basis van onderzoek aan 96 embryo's van 8 soorten slangen. Bij elk van die embryo's volgden ze een gen dat betrokken is bij de ontwikkeling van het gebit. Bovendien volgden ze de embryonale ontwikkeling. Daarbij bleek dat bij alle embryo's de giftanden achterin de bek ontstonden. Bij een deel van de slangen schoven die giftanden, nog tijdens de ontwikkeling in het ei, geleidelijk naar voren. Het mechanisme daarachter is dat bij die slangen een deel van de kaak veel sneller groeit dan de rest van de kaak. Omdat de ontwikkeling van een embryo als regel de evolutionaire ontwikkeling weerspiegelt (de ontogenie weerspiegelt de fylogenie), maakt deze ontwikkeling het waarschijnlijk dat alle gifslangen hun giftanden oorspronkelijk achter in de bek hadden.


De stamboom van de slangen met onderaan (in zwart) de primitieve, gifloze wurgslangen; daarboven de geavanceerde gifslangen met giftanden voorin (paars), voorin en achterin (blauw) en alleen achterin (groen) de bek.

De giftanden die achterin de bek staan blijken bovendien niet gekoppeld te zijn aan de rest van het gebit. Ze ontstaan tijdens de embryonale ontwikkeling uit een apart weefsel. Dat is op zichzelf niet verbazingwekkend, want al eerder werd aangetoond dat een gemeenschappelijke voorouder van een aantal families van de hagedissen en alle slangen gifklieren had in zowel de onder- als de bovenkaak. De hagedissen evolueerden vervolgens naar soorten met gifklieren in de onderkaak, terwijl dat bij de gifslangen juist andersom was. Volgens Vonk is de giftand ontstaan door de combinatie van de (aanvankelijk gifloze) tanden die zich los van de rest van het gebit ontwikkelden en de gifklier. Het onderzoek leverde geen verschillen op in de manier waarop de giftanden en de gifklieren zich bij de verschillende groepen gifslangen ontwikkelden.

De plaatsing van de giftanden leidt tot verschillende manieren om een prooi te vangen. De gifslangen met giftanden achterin de bek vangen hun prooi op een wijze die vergelijkbaar is met die van de wurgslangen. Ze houden hun prooi vast en bijten herhaaldelijk om zo voldoende gif in de prooi te brengen om hem te verlammen. Slangen met giftanden voorin slaan daarentegen plotseling toe, spuiten veel gif in, en trekken zich dan terug tot het gif begint te werken.

Referenties:
  • Vonk, F.J., Admiraal, J.F., Jackson, K., Reshef, R., Bakker, M.A.G. de, Vanderschoot, K., Berge, I. van den, Atten, M. van, Burgerhout, E., Beck, B., Mirtschin, P.J., Kochva, E., Witte, F., Fry, B.G., Woods, A.E. & Richardson, M.K., 2008. Evolutionary origin and development of snake fangs. Nature 454, p. 630-633.

Foto's: Universiteit Leiden.


Copyright NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl