NGV-Geonieuws 152 artikel 962

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


3 September 2008, jaargang 10 nr. 9 artikel 962

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 152! Op de huidige pagina is alleen artikel 962 te lezen.

<< Vorig artikel: 961 | Volgend artikel: 963 >>

962 Jonge Dryas leidde niet tot temperatuurdaling op het zuidelijk halfrond
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Glaciologie ! Klik hier voor alle artikelen over (Paleo)Klimaat !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Op de overgang van Pleistoceen naar Holoceen trad binnen hooguit enkele decennia een temperatuurstijging op van vele graden, op veel plaatsen tussen 5 °C en 10 °C. Die sterke temperatuurstijging kon waarschijnlijk mede plaatsvinden doordat vlak daarvoor, tijdens de zogeheten Jonge Dryas (12.900-11.600 jaar geleden) een aanzienlijke temperatuurdaling was opgetreden. Dat geldt althans voor het noordelijk halfrond. Hoe - en of - die temperatuurdaling verliep op het zuidelijk halfrond, is veel minder goed bekend, niet alleen omdat de Pleistocene ijstijden op het zuidelijk halfrond tot veel minder vergletsjering leidden dan op het noordelijk halfrond, maar ook omdat op het zuidelijk halfrond veel minder onderzoek naar deze overgang is gedaan. Daarom is er al lang een debat gaande of de Jonge Dryas een wereldwijd verschijnsel was of niet.


Boring in een klein bergmeer van Patagonië

Een groep Amerikaanse onderzoekers heeft onderzoek uitgevoerd dat erop wijst dat de temperatuurdaling van de Jonge Dryas niet of nauwelijks op het zuidelijk halfrond optrad. Hun verslag in Science wordt becommentarieerd door enkele onderzoekers van de Universiteit van Cincinnati, die bezig zijn met een vergelijkbaar onderzoek, en die tot soortgelijke conclusies komen.

Het belangrijkste probleem waarvoor de Jonge Dryas paleoklimatologen stelt, is de oorzaak van de temperatuurdaling op het noordelijk halfrond (terwijl tegelijkertijd op Antarctica zelfs een temperatuurstijging lijkt te hebben plaatsgevonden!). Daarvoor is geen goede (en algemeen aanvaarde) verklaring, en klimaatmodellen die 'terugrekenen' in de tijd geven voor de Jonge Dryas heel andere temperaturen aan dan er in werkelijkheid zijn opgetreden. Dit impliceert dat er, ondanks de haast eindeloze hoeveelheden geld, tijd en mankracht die al vele jaren in klimaatonderzoek worden gestoken, nog geen sprake is van een fundamenteel begrip van klimaatontwikkelingen.


Het nemen van een bodemmonster
wordt voorbereid


Monstername van een morene t.b.v. datering
met C-14


Een van de problemen waarmee de onderzoekers worden geconfronteerd, is de precieze datering van de diverse verschijnselen die de klimaatverandering heeft achtergelaten, bijvoorbeeld in de vorm van morenes van gletsjers. Er zijn twee dateringsmethoden die veelal worden toegepast: de radiometrische methode (met koolstof-14) en de luminescentiemethode, waarmee kan worden vastgesteld hoe land een kwartskorrel of steen 'begraven' is geweest (die tijdsduur geeft gewoonlijk aan wanneer de korrel of steen voor het laatst is getransporteerd, dus wanneer de desbetreffende afzetting werd gevormd). Een probleem is echter dat in 'koude' sedimenten vaak geen organische stof voor C-14 dateringen aanwezig is, en dat datering met luminescentie vaak 'vreemde' ouderdommen opleverde. Door gelijke afzettingen op beide wijzen te dateren (en de resultaten aan elkaar te koppelen), komt men echter langzamerhand tot steeds meer betrouwbaarder resultaten.


Tom Lowell met zijn transportmiddel

Onderzoek in Patagonië heeft nu een aantal interessante gegevens opgeleverd. In de Jonge Dryas breidden vooral gebergtegletsjers, ondanks het feit dat er geen aanwijzingen zijn voor lagere temperaturen, zich uit. Eén groot ijsveld dat zich toen uitbreidde is het Zuid-Patagonische IJsveld (op 50 graden Z.B.); de zogeheten Puerto Bandera morene geeft die uitbreiding aan. Dateringen wijzen uit dat deze morene gedurende of vlak na het einde van de Jonge Dryas werd gevormd (10.800  500 jaar geleden). Dat valt samen met de hoogste waterstand van het Cardiel-Meer (49) die te danken was aan de hoogste piek in de neerslag die sinds 13.000 jaar geleden ten oosten van de Andes plaatsvond. Ten westen van de Andes zijn vergelijkbare morenes afwezig. Dit wijst er volgens de onderzoekers op dat het Zuid-Patagonische IJsveld reageerde op neerslag vanuit luchtmassa's die vanuit het oosten kwamen (wat aangeeft dat er veranderingen optraden in de zuidwestelijke circulatiepatroon in de atmosfeer). Het ijsveld reageerde dus niet vanwege een regionale afkoeling. Dat is opnieuw een aanwijzing dat de temperatuurdaling tijdens de Jonge Dryas een verschijnsel is dat zich tot het noordelijk halfrond heeft beperkt.

Referenties:
  • Ackert Jr., R.P., Becker, R.A., Singer, B.S., Kurz, M.D., Caffee, M.W. & Mickelson, D.M., 2008. Patagonian glacier response during the Late Glacial-Holocene transition. Science 321, p. 392-395.
  • Lowell, Th.V. & Kelly, M.A., 2008. Was the Younger Dryas Global? Science 320, p. 348-349.

Foto's: University of Cincinnati.


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl