NGV-Geonieuws 152 artikel 964

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


10 September 2008, jaargang 10 nr. 9 artikel 964

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 152! Op de huidige pagina is alleen artikel 964 te lezen.

<< Vorig artikel: 963 | Volgend artikel: 965 >>

964 Duinen op Gran Canaria bevatten enorme 'wortelstenen'
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen ! Klik hier voor alle artikelen over Sedimentologie !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Het zou een toeristische bezienswaardigheid kunnen zijn (zoals het 'petrified forest' - een gebied met zeer veel, deels geopaliseerde, versteende bomen in de Verenigde Staten - maar het is slechts aan weinigen bekend: het gebied met Pleistocene duinen bij Tufia, in het oostelijke deel van Gran Canaria. Toch gaat het om een opmerkelijk verschijnsel, dat bovendien ook direct met planten uit het (overigens minder verre) geologische verleden van de aarde te maken heeft.


De rhizolithen bereiken soms meer dan manshoge afmetingen

Het duinenveld bij Tufia bevat namelijk enorme 'wortelstenen'. Hoewel die hun ontstaan te danken hebben aan plantenwortels, zijn het zelf geen fossielen: het zijn als het ware de 'sedimentomhulsels' van inmiddels verdwenen plantenwortels. Deze 'omhulsels' zijn zichtbaar doordat het micromilieu rondom wortels anders is (vooral de zuurgraad en het zogeheten redoxpotentiaal; voor deskundigen: de pH en de Eh) dan in de sedimenten die iets verder van de wortels verwijderd zijn. Door de andere pH en/of Eh treedt in het sediment direct rondom de wortels vaak een verkleuring op, maar ook kan het dat daar, eerder dan elders in het sediment, een begin wordt gemaakt met cementatie. Daardoor ontstaan er als het ware een soort verkitte pijpjes rond de wortel, die na afsterven van de plant en vertering van de wortel achterblijven als holle pijpjes. In het geval van Gran Canaria gaat het echter niet om pijpjes: je mag rustig spreken van 'pijpen', want ze zijn soms meer dan een meter lang. Ze zijn, zoals dat in duinen hoort, soms blootgesteld aan winderosie. Het onverkitte sedimenten rondom de pijpen wordt het snelst geërodeerd, en zo worden deze pijpen, die in de aardwetenschappen worden aangeduid als 'rhizolithen' (wortelstenen), als het ware meer of minder ver uitgeprepareerd. Dat de wind voor het uitprepareren verantwoordelijk is, blijkt uit het feit dat aan de lijzijde van de rhizolithen (de wind komt bijna altijd vanuit dezelfde richting) een soort windschaduw aanwezig is: de rhizolithen zijn daar iets dikker dan gemiddeld.


Doordat ze vaak harder zijn dan het omringende sediment, zijn veel rhizolithen
al door de natuur uitgeprepareerd

Het vormen van de rhizolithen is geen willekeurig proces. Analyse van de megarhizolithen van Gran Canaria geeft tenminste aan dat de meeste exemplaren volgens eenzelfde schema zijn opgebouwd, waarbij de omhulsels (rondom de excentrisch gelegen holte) bestaan uit vier min of meer ringvormige zones. De twee binnenste zones bestaan uit carbonaat; de binnenzone vertoont open ruimtes, en de tweede zone van carbonaat vertoont laminatie. Buiten deze twee zones die zijn opgebouwd uit carbonaten, bevinden zich twee zones die bestaan uit eolisch zand. De zandkorrels in de binnenste eolische zone vertonen coatings van zeer kleine kalkkristallen (micriet), en de buitenste eolische zone vertoont aragonietcement op de korrels.


In doorsnede blijken de rhizolithen een excentrisch, hol centrum te hebben
dat later vaak is gevuld met zand

De onderzoekers verklaren deze concentrische opbouw als volgt. Aanvankelijk vond kalkneerslag plaats rondom de wortels als gevolg van de omstandigheden die door de wortel zelf werden geschapen. Daarna kwamen er microorganismen bij, die zorgden voor de vorming van de gelamineerde carbonaten die de tweede zone kenmerken. De twee buitenste zones (van eolisch zand) danken hun ontstaan aan de naar buiten toe steeds geringere invloed van de migrerende zuren die worden geproduceerd door de wortel, en van de microorganismen daarop, alsmede aan de migratie naar buiten van calcium en bicarbonaat. Het verschil tussen de twee buitenzones hangt mogelijk samen met verdamping, waardoor plaatselijk oververzadiging kan ontstaan.


Microscopische en SEM-opnames (C en D) van doorsneden van enkele rhizolithen

Het steeds voorkomen van de rhizolithen in het bovenste deel van de eolische pakketten wijst erop dat de sedimentatie van door de wind aangevoerd materiaal diverse malen werd onderbroken, waarschijnlijk door een tijdelijk vochtiger klimaat dat ook bodemvorming en kolonisatie door planten mogelijk maakte. Een en ander wijst dus op een afwisseling van droge en iets meer vochtige intervallen gedurende de laatste ijstijd.

Referenties:
  • Alonso-Zarza, A.M., Genise, J.F., Cabrera, M.C., Mangas, J., Martín-Pérez, A., Valdeolmillo, A. & Dorado-Valiño, M., 2008. Megarhizoliths in Pleistocene aeolian deposits from Gran Canaria (Spain): ichnological and palaeoenvironmental significance. Palaeogeography, Palaeoclimatology, Palaeoecology 265, p. 39-51.

Foto's welwillend ter beschikking gesteld door Ana Alonso-Zarza, Depto de Petrología y Geoquímica, Universidad Complutense, Madrid (Spanje).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl