NGV-Geonieuws 153 artikel 975

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


10 Oktober 2008, jaargang 10 nr. 10 artikel 975

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 153! Op de huidige pagina is alleen artikel 975 te lezen.

<< Vorig artikel: 974 | Volgend artikel: 976 >>

975 Miljoenen sporen tonen migratie in Trias van reptielen
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen ! Klik hier voor alle artikelen over Sedimentologie !     Klik hier om dit artikel af te drukken !


Reptielen migreerden in het Trias van het Boheems naar het Rijns Massief
en lieten op 75 locaties miljoenen sporen achter in de bodem van een kalkig
waddenmilieu, waar twee kleine soorten permanent woonden.

In 1958 werden bij Winterswijk fossiele voetstappen van vertebraten (naar later bleek reptielen) aangetroffen. Ze bevonden zich in kalksteen die behoort tot de Onder-Muschelkalk (Midden-Trias). Het waren uitzonderlijke sporen omdat het milieu waarin ze werden gevonden ook resten van vertebraten bevatten die aangepast waren aan een marien milieu. Daarmee wijken deze sporen af van de talrijke andere die inmiddels in West- en Centraal-Europa zijn gevonden en die uit dezelfde tijd stammen. De eerste van die sporen werden al in 1834 ontdekt in fluviatiele afzettingen in een pakket dat voornamelijk uit rode zandstenen bestaat die in een woestijnmilieu zijn gevormd. Sindsdien zijn er op tal van plaatsen, waaronder zeker 75 groeves, niveaus met vergelijkbare sporen gevonden. Een groot deel daarvan bevindt zich in kalkige gesteenten die op de grens van land en zee (vaak in een wadachtig milieu) in het zogeheten Germaanse Bekken zijn gevormd.


Gelige dolomieten (sabkha facies) in de Onder-
Muschelkalk bij Hardegsen, afgedekt door een pakket
van gelithificeerde kalkmodder met talrijke niveaus
met sporen van Rhynchosauroides en Procolophonichnium.


Sporen van reptielen komen in grote aantallen
voor op 21 niveaus.


In het westen van het Germaanse Bekken bevat de opeenvolging van Onder-Muschelkalk tot het begin van de Boven-Muschelkalk tenminste 21 niveaus met talrijke sporen. In het oostelijk deel van het bekken zijn dat er minder omdat daar toen vaker mariene omstandigheden optraden. Daar waren echter eerder kustnabije afzettingen gevormd (Boven-Buntsandstein) met talrijke sporen, waarna vanuit het oosten de zee binnenviel.


Krimpscheuren in de Onder-Muschelkalk
bij Borgholzhausen, met sporen van Rhyncosauroides.

De inmiddels miljoenen sporen van reptielen uit het Vroeg- en Midden-Trias die in een uitgestrekt gebied voorkomen, maken het nu mogelijk om te reconstrueren hoe de dieren zich hebben verspreid. Uit die reconstructie blijkt dat ze vaak gebruik maakten van 'landbruggen’ in de vorm van waddengebieden. Dergelijke ondiepe gebieden kwamen regelmatig voor omdat de hoogte van de zeespiegel in het Germaanse Bekken fluctueerde.


Sporen achtergelaten door Rhynchosauroides
bij verschillende vormen van voortbeweging.


Sporen achtergelaten door Procolophonichnium
bij verschillende vormen van voortbeweging.


Hoewel in deze wadachtige miljoenen sporen zijn aangetroffen, moeten ze vrijwel allemaal tot twee kleine soorten reptielen worden toegeschreven: Rhynchosauroides en Procolophonichnium. Deze soorten waren volledig aan dit getijdenmilieu aangepast. Helemaal veilig waren ze er overigens niet, want uit de relatief schaarse andere sporen blijkt dat ze werden bejaagd door een veel groter reptiel (Euparkeria), dat ook jaagde op de dieren die de sporen achterlieten die bekend staan als Macrocnemus en Hescherleria, waarvan echter de taxonomische details niet goed bekend zijn.


Macrocnemus in een kalkig wad met in poelen 'gevangen’
mariene invertebraten (hier Clytiopsis) en vertebraten
(illustratie © B. Pfeifroth, Reutlingen).

Doordat er zoveel sporen van Rhynchosauroides en Procolophonichnium zijn gevonden, kan daaruit goed worden opgemaakt hoe ze zich voortbewogen. Dat ging soms (kennelijk meestal) vrij langzaam, maar soms moeten ze uit alle macht hebben gerend, waarschijnlijk om aan een jager te ontkomen.

Referenties:
  • Diedrich, C., 2008. Millions of reptile tracks - Early to Middle Triassic carbonate tidal flat migration bridges of Central Europe - reptile migration into the Germanic Basin. Palaeogeography, Palaeoclimatology, Palaeoecology 259, p. 410-423.


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl