NGV-Geonieuws 153 artikel 977

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


15 Oktober 2008, jaargang 10 nr. 10 artikel 977

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 153! Op de huidige pagina is alleen artikel 977 te lezen.

<< Vorig artikel: 976 | Volgend artikel: 978 >>

977 Dino’s liepen over drassige grond waarin longvissen 'overzomerden’
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over (Dino)sauriers ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Op het Deense eiland Bornholm in de Oostzee zijn in een sectie uit het Vroeg-Krijt bijzondere sporen gevonden. Het gaat namelijk om een combinatie van sporen die dinosauriërs achterlieten in een drassige grond en graafgangen van (waarschijnlijk) longvissen zich hadden ingegraven om de droge zomer te kunnen overleven. De sedimenten waarin deze door dieren veroorzaakte deformaties (bioturbaties) zijn aangetroffen zijn weliswaar hard, maar nog niet gelithificeerd (versteend). Dat maakte het mogelijk om de structuren als het ware uit hun omgeving los te maken, waardoor een goed 3-dimensionaal beeld kon worden verkregen.


Enkele van de vele indrukken (in verticale doorsnede) die de dinosauriërs
in de modderige grond achterlieten

Het voorkomen van dinosporen is op zichzelf niet zo bijzonder (al is dat wel het geval voor Bornholm (het hele Mesozoďcum van Denemarken kent trouwens maar zeer weinig - en dan ook nog fragmentarische - restanten van dinosauriërs), en het feit dat er een loopspoor kon worden gereconstrueerd is ook niet exceptioneel: meestal worden dinosporen immers aangetroffen op laagvlakken, waardoor de sporen in veel gevallen goed te vervolgen zijn (vgl. de reptielensporen uit Geonieuws 975). Ook zijn er dwarsdoorsneden van dinovoetstappen bekend. Wel bijzonder is echter dat het hier gaat om een verticale sectie waarin talrijke indrukken van dino’s in dwarssectie kunnen worden bestudeerd, maar waarin die indrukken ook in drie dimensies kunnen worden geanalyseerd. Bovendien zijn de grenzen tussen de indrukken en het omringende materiaal zeer goed zichtbaar, omdat de dino’s liepen op een dun laagje modder met veel organisch materiaal dat werd afgezet in een meer, en dat het zand van een rivier bedekt; het donkere materiaal van de meerafzetting vult de indrukken die tot in het lichtere rivierzand reiken op.


Door de indrukken van de poten rondom bloot te leggen ontstond een
3-dimensionaal beeld van de indrukken.


Door de diverse pootafdrukken in 3 dimensies bloot te leggen, kon een totaalbeeld
van een loopspoor worden verkregen.

Op deze manier is vast te stellen dat de meeste pootafdrukken een komvorm hebben met een onregelmatige basis. Ze zijn gemiddeld 22 cm diep en aan de bovenkant 43 cm breed; onderaan is dat gemiddeld 23 cm. Er zijn echter ook onregelmatige indrukken van meer dan een meter breed; mogelijk zijn die samengesteld, d.w.z. dat ze bestaan uit elkaar overlappende indrukken. De wanden van de afdrukken zijn vaak iets gekromd, wat er op wijst dat de waterrijke zandige bodem waarop de dino’s liepen zich iets probeerde te herstellen van de deformatie. Alle kenmerken van de sporen samen wijzen erop dat het waarschijnlijk ging om sauropoden.


Een bijzondere graafgang, toegeschreven aan een longvis.

Wellicht nog interessanten zijn de vele graafgangen die hetzelfde pakket vertoont. Ze zijn verticaal of lopen schuin, gewoonlijk licht gebogen, zonder vertakkingen, en ze vertonen onderaan een J-vorm of een spiraalvorm. Hun doorsnede is gemiddeld 4,4 cm en ze zijn tot 45 cm lang. De top van de graafgangen is vaag (of door erosie verdwenen), en de basis is afgerond en vertoont een verbreding (kamer). In geen van de graafgangen zijn restanten van een organisme aangetroffen, en de aard van de gravers is daarom niet met zekerheid vast te stellen. De gangen vertonen echter zoveel gelijkenis met die van longvissen, dat het haast niet anders kan dan dat ook longvissen (of naaste verwanten) voor de graafgangen in het Krijt van Bornholm verantwoordelijk zijn. Longvissen kunnen niet tegen langdurige droogte, en graven zich daarom tegen de droge tijd in de bodem van een (waarschijnlijk ‘s zomers droogvallende) rivier of meer in, om zo te 'overzomeren’ (zoals andere dieren een winterslaap houden om de voor hen moeilijke winterperiode te overleven).


bij kamer: Een 'kamer’ aan het einde van een graafgang, waarin
de longvis gedurende de droge zome 'overzomerde’

Referenties:
  • Surlyk, F., Milŕn, J. & Noe-Nygaard, N., 2008. Dinosaur tracks and possible lunfish aestivation burrows in a shallow coastal lake; lowermost Cretaceous, Bornholm, Denmark. Palaeogeography, Palaeoclimatology, Palaeoecology 267, p. 292-304

Foto’s uit het aangehaalde artikel.


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl