NGV-Geonieuws 154 artikel 981

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 November 2008, jaargang 10 nr. 11 artikel 981

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 154! Op de huidige pagina is alleen artikel 981 te lezen.

<< Vorig artikel: 980 | Volgend artikel: 982 >>

981 De ‘Bek van de Hel’
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Archeologie ! Klik hier voor alle artikelen over Vulkanologie !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

In tijden dat reizen nog avontuurlijk was, waren er maar weinig mensen die verre landen bezochten. De meeste van hen waren zeevaarders of soldaten. In veel gevallen ging het zelfs om soldaten die met een vloot overstaken om nieuwe gebieden te veroveren. Dat ze daarbij vaak geconfronteerd werden met zaken die ze in hun eigen land niet kenden, zal niemand nog verbazen. Maar de waarneming van onbekende verschijnselen leidde destijds tot tal van mythes, legenden en anekdotes. Veel daarvan zijn afkomstig uit de 'Nieuwe Wereld’ die in 1492 voor het eerst in de (uit geschriften bekende) geschiedenis door Columbus werd ontdekt.

Zo stuitten de conquistadores in Nicaragua, waar ze slechts 30 jaar na de ontdekking van Amerika voet aan land zetten, op vulkanische verschijnselen die hun volledig onbekend waren. Ze verhalen over een van die verschijnselen als de 'Bek van de Hel’ (La Boca del Inferno). Het gaat daarbij om een verschijnsel bij de Masaya vulkaan, die samen met de Momotombo wordt beschreven in een brief die Pedrarias Davila op 10 april 1525 stuurde naar Keizer Karel V, waarin hij ook de verovering van Nicaragua door Hernandez de Córdoba beschrijft. Over de Masaya schrijft Davila: “In deze provincie Masaya bevindt zich een grote bek van vuur die nooit ophoudt te branden en die ‘s nachts zo groot is dat hij de hemel lijkt te raken, en met een hoogte van 15 mijl [75 km] is het licht alsof het dag is ...”. Uit Europa was dergelijk permanente vulkanische activiteit onbekend, en het is dan ook niet verwonderlijk dat talloze geschriften gedetailleerd de vorm van de krateropening en de vulkanische verschijnselen beschrijven.


De Masaya, nu een 'gewone’ vulkaan


Een rookpluim stijgt op uit de Masaya


Het meest bijzondere voor de conquistadores was het lavameer in de Masaya caldera. Uit hun geschriften blijkt dat ze dachten dat het ging om gesmolten goud of zilver; die gedachten werden zeker gevoed door de gouden en zilveren voorwerpen die ze bij de indianen aantroffen, en door de verhalen die ze hoorden (of waarschijnlijker: verkeerd interpreteerden) over steden vol goud. Oviedo y Valdez beschrijft dit lavameer (in 1581) nauwkeurig vanaf de rand van de caldera. Over de caldera zelf merkt hij op dat daarin een secundaire krater aanwezig was “zo groot en rond dat volgens mij geen geweerschot vanaf de ene kant de andere kant kan bereiken ... Naar het zuiden van de bodem ligt een gat [het lavameer], dat ik al eerder memoreerde”. Hij beschrijft dat gat met het lavameer als volgt: “Op de bodem van dat gat was een vuur, vloeibaar als water, en dat materiaal brandde heftiger dan roodgloeiende kool, en was helderder van kleur; het brandde heftiger dan enig ander vuur kan branden, als dat mogelijk is. Al dat materiaal vulde de bodem van het gat en kookte ...”. Uit de (veel uitgebreidere) beschrijvingen blijkt dat er sprake was van pahoehoe lava.

Het 'gat met het lavameer’ werd al spoedig 'Bek van de Hel’ genoemd, waarschijnlijk mede omdat de indianen bij belangrijke aangelegenheden een heks (Chalchiutlicue) raadpleegden die in de krater zou wonen, en waarvan de beschrijving sterk leek op het uiterlijk dat de Spanjaarden aan de duivel toedichtten. Mede daarom werd in 1529 een kruis op de top van de vulkaan opgericht. Pas enkele jaren daarna, in 1538, werd een door de monnik Blas del Castillo - gewapend met een houten kruis in de ene hand en een hamer in de andere - een poging gedaan om het lavameer te bereiken (om stukken mee te nemen van de goudkleurige ertsader die men van boven af te zien schitteren in het lavameer). Het gat met het lavameer bleek echter te diep, en de meegebrachte stenen bleken geen goud of zilver te bevatten, maar vulkanische bommen te zijn. Latere pogingen faalden min of meer op gelijke wijze. In 1586 kreeg Benito Morales toestemming om “het geheim van de vulkaan te ontrafelen”, maar toen bleek het lavameer niet meer te bestaan.


Uit de kraterwanden stijgt hier en daar nog rook op.

Er bleek meer niet te bestaan: in 1615 merkte de monnik Juan de Torquemada op dat het gat met het (vroegere) lavameer onmogelijk de Bek van de Hel kon zijn. De hel was immers door God bestemd voor zondaars, en ook mensen die niet hadden gezondigd konden door het vuur van de vulkaan worden gedood. Uitstromend lava (in 1772 was er een gedetailleerd beschreven uitbarsting met een lavastroom die stopte toen de Bisschop van Granada, tijdens een processie waarbij het beeld van de Christus van Nindiri werd meegedragen, dat beval!) verwoestte bovendien gelijkelijk de velden van zondaars en niet-zondaars. Bovendien hebben zielen geen lichaam, zodat de hel geen Bek nodig heeft. Verder zou het vuur in de hel zeker niet fel en licht zijn, maar donker.

Het is nu gemakkelijk om de 'onderzoekers’ en hun geschriften uit de 16e eeuw op fouten en ongeloofwaardigheden te betrappen. Feit blijft echter wel dat ze in staat waren om zulke gedetailleerde beschrijvingen te geven, zowel van de vulkaan als van de vulkanische processen, dat het nu mogelijk is om exact te reconstrueren hoe de vulkanologische geschiedenis zich destijds voltrok.

Referenties:
  • Viramonte, J.G. & Incer-Barquero, J., 2008. Masaya, the “Mouth of Hell”, Nicaragua: volcanological interpretation of the myths, legends and anecdotes. Journal of Volcanology and Geothermal Research 176, p. 419-426.

Foto’s welwillend ter beschikking gesteld door José Viramonte, Universidad Nacional de Salta, Salta (Argentinië).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl